Recensie

‘Lelijk dorp’ al een eeuw de mediastad

Het Mediapark in Hilversum. Foto Sander Koning/ANP

De eerste radiofabriek van Nederland had ook in Alkmaar of Tilburg kunnen staan. Beide steden waren serieuze kandidaten voor het nieuwe bedrijf. Maar uiteindelijk kozen de oprichters van de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) in maart 1918 voor Hilversum als vestigingsplaats, omdat men daar voldoende bouwterrein beschikbaar had tegen een lage prijs. Voorts hoefde er wegens de zandbodem niet te worden geheid.

En zo kwam het dat de eerste reguliere radio-uitzendingen vijf jaar later eveneens uit Hilversum kwamen – programma’s die door de NSF werden geproduceerd om particulieren tot de aanschaf van zo’n radiotoestel te bewegen. Met als gevolg dat Hilversum tevens de woonplaats van de Nederlandse Omroep werd.

De oprichting van de NSF, dit jaar honderd jaar geleden, is aanleiding voor het gisteren gepresenteerde herdenkingsboek 100 jaar Hilversum Mediastad, waarin journalist Peter Schavemaker gedetailleerd (512 pagina’s!) verslag doet van de wijze waarop deze Gooise gemeente, ondanks haar dorpse uitstraling, toch een eeuw lang de status van audiovisueel epicentrum heeft kunnen behouden.

Onomstreden is die status nooit geweest. Telkens doemden er bij tv-makers plannen op om een omgeving op te zoeken waar de creativiteit minder ver te zoeken was. Steeds meer programma’s worden in Amsterdam gemaakt: DWDD, Pauw, Jinek, RTL Boulevard, RTL Late Night. Daar vindt men makkelijker gasten en publiek dan op het Mediapark.

Amsterdam was ook al in beeld toen er eind jaren vijftig een definitieve locatie werd gezocht voor de televisie. De eerste tv-programma’s waren in een leegstaand kerkje in de buurgemeente Bussum gemaakt, omdat Hilversum geen passende ruimte had. Toen de tv echter blijvend onderdak zocht, wierp Amsterdam zich gretig in de strijd. En ook het veel kleinere Bussum deed nog een gooi. Maar Hilversum won, door het natuurgebied ter beschikking te stellen dat nu het Mediapark is. „Ik heb heel wat vrees gehad, dat de televisie in Bussum zou blijven”, noteerde de toenmalige burgemeester Boot in zijn (niet eerder gepubliceerde) dagboek. „Als we de grond voor de gebouwen niet angstvallig hadden gereserveerd, zou het nu de vraag zijn geweest of zelfs een andere gemeente dan Bussum niet aan bod was gekomen.”

Naar welke andere gemeente zijn gedachten uitgingen, schreef de burgemeester er niet bij. Maar hij bedoelde natuurlijk het gevreesde A-woord: Amsterdam! Het is tot op de dag van vandaag als een dreigende donderwolk boven Hilversum blijven hangen. Zodra een omroep of een productiebedrijf hardop zegt een verhuizing naar Amsterdam te overwegen, raken de Hilversumse bestuurders in paniek. Die rode lijn maakt Schavemakers boek tot een boeiend relaas, ondanks de overmaat aan taaie beleidstaal die de leesbaarheid te vaak in de weg zit.

Tot een diepe liefde is het dus tussen Hilversum en de media-industrie nooit gekomen. De meeste geïnterviewden in dit boek noemen praktische overwegingen als het om hun vestigingsplaats gaat. Zo besloot ook John de Mol zijn productiebedrijf Talpa op het Mediapark te vestigen, Maar niet van harte: „Ik vind Hilversum een lelijk dorp, volkomen aangetast door de mensen die daar de afgelopen dertig jaar verantwoordelijk zijn geweest voor de infrastructuur en de uitstraling. Die mensen moeten zich diep schamen. Als ik er nu doorheen rijd, vreselijk!”