Elke dag bommen en veevoer

Humanitaire noodsituatie

Al jaren wordt Oost-Ghouta, een rebellenbolwerk bij Damascus, belegerd. De bevolking heeft de laatste weken weer zwaar te lijden.

Oost-Ghouta na een luchtaanval. Foto Amer Almohibany/AFP

In Oost-Ghouta, een reeks buitenwijken ten oosten van Damascus, zijn sinds vorige week ruim 200 doden gevallen door bombardementen met Syrische en Russische gevechtsvliegtuigen. Omgekeerd zijn in Damascus dit jaar al zeker dertien doden gevallen door beschietingen vanuit rebellengebied in Oost-Ghouta.

„Elke dag zijn er bombardementen of mortieraanvallen. De scholen zijn dicht, de ziekenhuizen verwoest”, zegt Firas Abdullah, een jonge burgerjournalist in Douma, een plaats in Oost-Ghouta. Zijn ouderlijk huis is vorige week door bommen verwoest, zegt hij. Hij huurt nu iets in de stad.

Abdullah is Douma niet meer uit geweest sinds daar in 2011 de eerste betogingen tegen het Assad-regime plaatsvonden. Sinds 2012 wordt Oost-Ghouta omsingeld door het regeringsleger. Het regime wil de rebellen daar dwingen tot overgave, zoals eind 2016 in Oost-Aleppo gebeurde.

„Niemand kan naar buiten en het regime controleert het enige checkpoint waarlangs bevoorrading kan komen” zegt Ward Mardini, een andere burgerjournalist in Oost-Ghouta. „Voedsel komt heel sporadisch binnen en is voor veel mensen onbetaalbaar. Een liter melk kost tien dollar, een kilo suiker acht dollar.”

De situatie is nog wanhopiger geworden sinds het regeringsleger in mei vorig jaar de smokkeltunnels heeft gesloten. Daardoor controleert het regime meer dan ooit wat binnen en wie buiten mag.

De VN hebben een lijst van ruim 700 patiënten die dringend medische hulp behoeven. Slechts 29 mensen mochten vertrekken. Wel is woensdag voor het eerst sinds november een konvooi met medische hulp toegelaten.

Brood is in Oost-Ghouta 85 keer zo duur als in Damascus, even verderop.

Volgens een VN-rapport van eind 2017 moeten veel mensen in Oost-Ghouta afval of veevoeder eten om te overleven. Brood is 85 keer duurder dan in Damascus, een paar kilometer verderop, aldus het rapport.

„Er wordt nog steeds gesmokkeld”, zegt Mardini, „maar de smokkelaars moeten veel smeergeld betalen aan het regime, en dat wordt doorgerekend aan de consument.”

Zoals elders in Syrië hebben ook in Oost-Ghouta de extremisten de overhand. De voornaamste gewapende groepen zijn Jaish al-Islam en Faylaq al-Rahman. Die laatste ontstond uit het Vrije Syrische Leger maar is nu geassocieerd met Hayat Tahrir al-Sham, het vroegere Al Qaeda in Syrië.

Tussen de groepen is afgelopen zomer onderling gevochten. Tienduizenden mensen gingen toen de straat op om te eisen dat de gewapende groepen zich zouden concentreren op de strijd tegen het regime.

Lees ook: Eindspel om Syrië wordt grimmiger

De burgers hebben een ambivalente verhouding met de gewapende groeperingen, schrijft Syrisch activist Yassin Al-Haj Saleh – nu in Duitsland – in The New York Times. „Ze steunen hen in de strijd tegen het Assad-regime maar bekritiseren hen omdat ze er niet in slagen hun verschillen opzij te zetten. De burgers protesteren ook wanneer de rebellen ingrijpen in hun dagelijkse leven.”

Ook Mardini zegt: „Wij leven met de gewapende groepen en al zijn we het soms oneens: we vertrouwen hen omdat zij onze beste kans zijn het regime omver te werpen.” Dat dat laatste wel heel onwaarschijnlijk is geworden wil of kan men in Oost-Ghouta niet toegeven.

    • Gert Van Langendonck