Recensie

Inktzwart puzzelstuk, maar het past wel

Het werk van Lucebert is geen reactie op zijn gedweep met het nationaal-socialisme, maar staat in een literair historische traditie, schrijft .
Lucebert, ‘De briefdrager’ Courtesy Galerie Schoots-Van Duyse

Het was een pijnlijk moment voor liefhebbers van Nederlandse poëzie: de onthulling dat Lucebert in het midden van de Tweede Wereldoorlog zonder enige reserve ‘Sieg Heil’ schreef onder enkele brieven die hij vanuit Duitsland aan vriendin Tiny Koppijn stuurde. Het werd – een beetje tegen de zin van auteur Wim Hazeu maar onontkoombaar – het grote nieuws waarmee zijn boek Lucebert. Biografie werd ontvangen.

Het nieuws riep de afgelopen dagen twee vragen op. Om te beginnen: mogen we nog wel genieten van het werk van Lucebert? Het antwoord op die vraag is natuurlijk ‘Ja’, want zoiets vragen we ons ook niet af bij J.C. Bloem, Gerrit Achterberg of Ezra Pound – om maar eens een zeer willekeurige greep te doen in de verzameling dichters met een rafelrandje. De vervolgvraag is interessanter: verandert de betekenis van het werk door deze kennis? ‘Nee!’ riepen enkele liefhebbers om het hardst. De tekst blijft de tekst, daar verandert niets aan, en die vormt – naast het beeldend werk – de erfenis van Lucebert. Maar dit is lastiger vol te houden. Van opgedane kennis kom je niet meer af, en je ontkomt er niet aan om je op een andere manier tot het werk te gaan verhouden. Maar ook dat hoeft niet ten koste te gaan van de bewondering, integendeel, zijn poëzie zou zich nu kunnen laten lezen als grootse bekentenisliteratuur, een afrekening met zijn (laat-)adolescente zelf. Hazeu kiest die weg wanneer hij verklaart dat het hele oeuvre een groot gevecht met zichzelf is. „Lucebert neemt in zijn werk wraak op de oorlog. Wraak op zichzelf”, zegt hij in het interview met de Volkskrant.

Lees ook de recensie van Arjen Fortuin over de Lucebertbiografie van Wim Hazeu

Ik geloof er niks van. Er is in elk geval maar zo weinig van te merken. Als hij had willen vechten tegen zijn demonen, was hij dan altijd blijven zwijgen? Als je met schaamte terugkijkt op bewondering voor een Führer, laat je je dan, hoe ironisch ook, tot Keizer kronen? Als je betreurt dat je de verhalen over vernietigingskampen niet op waarde hebt ingeschat, verbrand je dan in je debuutbundel de schoonheid? Was het niet handig geweest om wat meer afstand te nemen van iemand als Hans Andreus, die samen met hem de verkeerde keuzes had gemaakt? Geef je je kind de naam ‘Ezra’?

Zelfs tijdens de oorlog al, stelt Lucebert vast dat een „een talent als het mijne voor de natie een kostbaarheid is”, en dat hij eigenlijk niet van plan is aan iets anders te werken dan aan zijn poëzie. Dat hij verkeerd zat, heeft hij zich gerealiseerd, maar dat mocht de kunst niet in de weg staan. Dus heeft hij zijn misstap niet alleen in zijn leven verzwegen, maar ook in zijn werk. Het is een duister geheim dat hij bij zich heeft gedragen, en zoveel mogelijk heeft verdrongen. Niet: bevochten. Lucebert was vanaf 1948 dus de dichter voor wie we hem al die jaren hebben gehouden, een man met een grote missie, schepper van een onvergetelijk oeuvre.

Waarmee ik niet wil zeggen dat de nationaal-socialistische episode niets toevoegt aan ons begrip van Lucebert, maar ik deins terug voor de psychologische interpretatie. Er is ook inhoudelijke en literair-historische relevantie. Lucebert was namelijk niet de enige die zich liet misleiden door de visioenen van fascisme en nationaal-socialisme. De droom van een grootse zuivere cultuur die kon ontstaan door het verderfelijke te vernietigen, die was er al wat langer. Van het tabula rasa van het dadaïsme tot en met het futurisme van Marinetti: het sprak ook dichters in het interbellum aan. „Oorlogsenthousiasme”, noemde Ewoud Kieft het in zijn gelijknamige boek, een fascinatie met groots geweld als culminatie van de moderniteit. Wie het oorlogsenthousiasme van 1914 begrijpt, begrijpt ook het ontstaan en de aantrekkingskracht van het fascisme en nationaalsocialisme, kort samengevat. Dat Lucebert hiervoor bevattelijk was, laat Hazeu mooi zien – vooral in zijn bewondering voor Nietzsche geeft hij zich bloot; Lucebert ziet hem als een wegbereider van een grote nieuwe cultuur en een nieuwe gemeenschap.

Ook bewonderde hij het vitalisme van Hendrik Marsman, die dichtte over het ‘Verhevene,’ over een ‘vuren lach’ die drinkt uit ‘ontzaggelijke schalen’ en over een ‘Heerscher’, ‘atoom en kosmos beiden’. Lucebert was, zo lezen we bij Hazeu, ‘gek op Marsman’ en citeerde meer dan eens diens credo ‘Groots en meeslepend wil ik leven’. Géén burgerlijkheid, wel het volle leven. In zijn zoektocht naar het nieuwe, vitale, grootse en meeslepende neigde Marsman in de jaren twintig tot het fascisme, maar hij was er al van genezen toen Hitler opkwam, en het Duitse nationaal-socialisme vond hij „verrot”. Bertus Swaanswijk (de echte naam van Lucebert) maakte die ommezwaai niet. Hij liet zich meeslepen zoals hij zich altijd wilde laten meeslepen in iets dat groter was dan zichzelf. En te laat realiseerde hij zich waardoor hij zich eigenlijk had laten meeslepen.

Lees ook het opiniestuk van Ian Buruma: Kunst van immorele kunstenaar hoeft niet immoreel te zijn

Moreel was er vanaf dat moment een breuk in zijn leven. Hij kiest consequent voor de zwakkere, tegen de uitbuiting, en dat zijn felle tegenstand tegen Nederlands’ koloniale oorlog is ingegeven door een nieuw besef van goed en fout, lijkt me plausibel. Maar de weg die met zijn dichtwerk insloeg is niet zo ondubbelzinnig. Nog steeds dicht hij tegen het klassieke, voor het spontane. Tegen het kunstmatige, voor de natuurlijke mens, vitaal, expressief, modern – in de sfeer van dada en expressionisme. Dat maakt de bewondering voor het overweldigende nationaal-socialisme in elk geval minder onbegrijpelijk. Het is een jeugdzonde, maar wel een met een literair-historische betekenis. De nieuwe kennis verandert de betekenis van zijn werk wel degelijk, verdiept die zelf. Het stapeltje brieven aan Tiny Koppijn vormt een ontbrekend puzzelstukje. Een inktzwart puzzelstukje, maar het past wel.