Het politieke gezicht van de jaren 80

De premier van het midden had gaten in zijn schoenen, zag , politiek redacteur voor NRC, toen hij langs mocht komen. Lubbers was van de oorlogsgeneratie.

Lubbers op het terras van het Catshuis in Den Haag, de ambtswoning van de premier, in 1986. Foto Vincent Mentzel

Ruud Lubbers was de rijkste premier die Nederland na de Tweede Wereldoorlog heeft gehad. Maar dat zag je niet aan hem.

Toen ik in 1986 als jong politiek journalist een keer op een ochtend werd gebeld door het Torentje dat ik ’s middags langs kon komen voor dat achtergrondgesprek met de premier, snelde ik eerst naar een modezaak aan het Noordeinde in Den Haag om een overhemd en een stropdas te kopen. Pas daarna ging ik nadenken over de vragen. Dat had niet gehoeven. Eenmaal binnen opende Lubbers het gesprek met een vraag: „Wat houdt jou zoal bezig nu?” Waarna hij zijn benen over elkaar legde. Wat bleek? De premier liep op schoenen met gaten in de zolen. Dat was symbolisch voor hem en indirect voor de generatie politici waarvan hij dé exponent was.

Een kwarteeuw is Nederland namelijk geregeerd door mannen die in hun vroege jeugd waren gevormd door de Tweede Wereldoorlog. Nergens anders in de wereld heeft deze zogeheten ‘sceptische’ generatie zo lang haar stempel gedrukt op de maatschappij als in Nederland. Van 1977 tot 2002 zijn er met Dries van Agt (1931), Ruud Lubbers (1939) en Wim Kok (1938) onafgebroken premiers aan de macht geweest die tijdens de Duitse bezetting te jong waren om in actie te komen maar oud genoeg om thuis of op straat te voelen dat er in ’40-’45 iets onherstelbaar was veranderd. Zij waren het die vorm gaven aan de periode van de twintigste eeuw na de jaren zestig, toen het verzuilde, collectieve en onderdanige Nederland zich vol overgave en vaak ook vol idiotie omvormde van een agrarische industriestaat tot een moderne, geïndividualiseerde en liberale diensteneconomie.

Lees hier de necrologie over de langstzittende minister-president: Hyperintelligente sfinx die zijn stempel op de jaren tachtig drukte

Prudent progressief

Van dit trio was Ruud Lubbers niet alleen de machtigste maar ook de meest intellectuele exponent. Hoewel hij bekend stond als een bestuurder die soms meer oplossingen uit zijn hoge hoed toverde dan er problemen waren, liet hij zich niet leiden door de opportuniteit van de tijd maar door een coherente politieke visie. Nederland was een ‘prudent progressieve’ samenleving, zoals hij ooit zei, en dat moest zo blijven. Van 1978 tot 1994 werkte Lubbers mee aan die verstandig vooruitstrevende maatschappij, eerst als fractievoorzitter (1978-1982) en daarna als premier van zowel een centrum-rechtse (1982-1989) als een centrum-linkse regering (1989-1994).

Dat was geen sinecure. De zeeën gingen vaak hoog in die tijd. Dat was op zichzelf niet zo gek. Nederland kwam immers van ver, toen Lubbers zich eind jaren zestig als jonge katholieke ondernemer engageerde met de radicalen binnen de KVP. Pas tien jaar eerder in 1957 was de gehuwde vrouw bij wet ‘handelingsbekwaam’ geworden. Het zou nog tot 1971 duren voordat het onderscheid tussen homoseksuele en heteroseksuele ontucht zou worden opgeheven. Toen hij een kwarteeuw later in 1994 moest aanzien hoe zijn CDA door de ‘paarse’ partijen PvdA, VVD en D66 uit het centrum van de macht werd verdreven, was Nederland met zijn abortuswetgeving, drugsbeleid, postindustriële sanerings- en poldermodel en kritische maar loyale bondgenotenpolitiek een soort gidsland.

Ingrijpende transformatie

Lubbers was er steeds bij toen die ongekend snelle en ingrijpende transformatie zich voltrok. Op alle niveaus verbraken burgers de kluisters die ze als knellend ervoeren. Vrouwen eisten het recht op arbeid op, en op hun eigen buik (lees: abortus). Rookbommen vlogen door de lucht, eerst bij het huwelijk van kroonprinses Beatrix in 1966, later tijdens de kraakacties die van 1970 tot begin jaren tachtig het straatbeeld bepaalden. Progressieve partijen wilden de macht van de confessionelen breken en dachten dat te kunnen door polariseren in plaats van compromissen. Pacifisten, socialisten, ‘derde-weggers’ en christenen die hun wereldbeeld niet langer door de Koude Oorlog wilden laten bepalen, keerden zich tegen het kernwapenbeleid van de NAVO. Ook de Tweede Wereldoorlog leek, met emotionele debatten over de vrijlating van de laatste oorlogsmisdadigers en de pensioenrechten voor de weduwe van een van de vuigste collaborateurs die Nederland had gekend, eerder dichterbij te komen dan verder weg te raken.

Al die jaren stond links tegenover rechts en omgekeerd. De confessionelen zouden in die mangel verdwijnen, althans dat was het idee van links, dat het geloof niet als een politieke factor zag maar slechts als een privézaak. Het gebeurde niet. Het CDA bleek juist het onontbeerlijke midden te zijn.

Het was geen toeval dat het juist Lubbers was die de christen-democratie overeind hield. Dat had zeker te maken met zijn werkdrift (een eufemisme), zijn machtsinstinct (idem) en zijn snelle denkkracht (idem).

En ondertussen was hij ook nog eens geen wegloper. Zoals die zaterdag in oktober 1985. In de Houtrusthallen te Den Haag hadden zich duizenden vredesactivisten verzameld voor de overhandiging van 3,7 miljoen handtekeningen tegen de plaatsing van nieuwe kernwapens in Nederland. Lubbers zou dit volkspetitionnement in ontvangst nemen. Al die duizenden floten hem uit. Lubbers bleef staan: als een ijzeren hein.