Veel landen kampen met lerarentekorten

Salarissen Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten kampen ook met lerarentekorten. Belangrijke oorzaak: het lage salaris.

Basisschoolleraren voeren actie in Rotterdam, afgelopen december. Zij willen meer salaris en minder werkdruk. Foto Remko de Waal/ANP

Lehrermangel, déficit d’enseignants, teacher shortage. Een typisch Nederlands probleem is het niet; ook landen als Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten kampen met lerarentekorten. Er zijn ook meer leraren nodig, want jongeren volgen langer onderwijs.

Voor een deel is sprake van een varkenscyclus, zegt de Maastrichtse hoogleraar arbeidsmarkt Frank Cörvers. „Het gaat van tekorten naar overschotten.” Overheidsingrijpen speelt een rol: „Regulering van de klassegrootte en het al of niet verplichten van bepaalde vakken.”

Nederland heeft tekorten in het basis- en voortgezet onderwijs. Op de middelbare scholen betreft het vooral exacte vakken en talen, met name Nederlands, Duits en Frans. Bij economisch hoogtij moeten scholen fel concurreren met andere werkgevers. Docenten met een bèta-achtergrond kunnen al snel terecht in de automatisering of de financiële sector, waar de lonen veel hoger liggen. Als leraren goed worden betaald, zijn er minder tekorten, rapporteerde de OESO in 2012. Volgens deze organisatie van rijke landen zijn er vooral tekorten als leraren substantieel minder verdienen dan andere hoogopgeleiden.

Volgens de OESO krijgt de Nederlandse basisschoolleraar 70 procent van wat gelijk opgeleiden elders verdienen en dat verschil is flink groter dan het EU-gemiddelde. In 2016 werd een inhaalslag gemaakt. Voor dit jaar is een tweede inhaalslag gepland, die volgens de bonden te beperkt is.

Lees ook: ‘Lerarentekort bedreigt kwaliteit basisonderwijs’

Parttimers

Nieuwe onderwijzers komen mondjesmaat beschikbaar. Na verzwaring van de toelatingseisen daalde in 2015 de instroom bij de pabo’s met eenderde. Daarna kwam er enig herstel. Dit studiejaar is de instroom met 7 procent gestegen.

Typisch Nederlands is het hoge aandeel parttimende juffen op de basisschool met bijna twee keer zoveel onderwijzers als banen (130.000 onderwijzers op 78.000 fte’s) – die overigens vaak meer uren maken dan waarvoor ze betaald krijgen, omdat ze ook hun werk aan collega’s moeten overdragen en alle teamvergaderingen moeten bijwonen. Als enkele duizenden parttimers nu fulltime zouden gaan werken, was het probleem opgelost. Al wordt het de fulltimers soms niet gemakkelijk gemaakt. Hoogleraar Cörvers kent een voorbeeld van een beginnend fulltimer die twee halve klassen kreeg, omdat twee parttime juffen aan hun klassen wilden vasthouden.

Basisschoolonderwijzers staan onderaan de inkomensladder. Tweedegraads leraren voor de onderbouw van het vwo en voor het vmbo worden zeker niet slechter betaald dan het EU-gemiddelde. Bij eerstegraads leraren met een academische opleiding is het verschil met andere werkgevers nog steeds groot ondanks het feit dat ze extra krijgen betaald.

Het loon en de betrouwbaarheid als werkgever zijn volgens Cörvers de belangrijkste factoren om leraren aan te trekken en vast te houden. Het blijft verleidelijk om overheidstekorten af te wentelen op lerarensalarissen, zoals in Nederland is gebeurd: door de crisis kon er lang geen loonsverhoging komen. „Als er voldoende aanbod van leraren is, loont het om te bezuinigen op de loonkosten”, zegt Cörvers. „Maar op termijn maakt dat het beroep minder aantrekkelijk.”

Lees ook: Ict’ers en gepensioneerden voor de klas
    • Maarten Huygen