Brieven

Psychotherapeuten geloven wél in uitglijers en missers

In zijn column Praten kan wel kwaad (10/2) beargumenteert Harald Merckelbach dat „veel psychotherapeuten geloven dat uitglijers en missers in hun vak gewoonweg niet voorkomen.” Wij begrijpen niet waar Merckelbach zich op baseert. Als ons iets opvalt bij klinisch psychologen in opleiding is het juist de angst om het niet goed te doen. Ook ervaren psychotherapeuten zijn vaak voorzichtig voor de patiënt moeilijke onderwerpen aan te snijden. Centraal in de discussie over hoe PTSS het best behandeld wordt, staat de bezorgdheid dat de patiënt door behandeling ontregeld wordt.

Merckelbach citeert twee onderzoeken, maar die gaan over patiënten, en helemaal niet over wat psychotherapeuten denken. Daar bestaat nochtans wel onderzoek naar. Zo bleek uit recent Zweeds onderzoek dat 94,5 procent van de therapeuten meent dat psychologische behandeling negatieve gevolgen kan hebben. Ook de nieuwe richtlijn ‘generieke module psychotherapie’ benoemt dat psychotherapie negatieve effecten kan hebben. We nodigen Merckelbach uit om in gesprek te gaan met psychotherapeuten. Dan zou hij wel eens kunnen ontdekken dat de meeste therapeuten geloven dat uitglijers en missers in hun vak gewoonweg kunnen voorkomen.

Zeven leden programmagroep Klinische Psychologie, Universiteit van Amsterdam:

Arnoud Arntz, Hoogleraar Klinische Psychologie, Universiteit van Amsterdam

Arnold Van Emmerik, voorzitter Vereniging voor Gedrags- en Cognitieve therapieën

Jan-Henk Kamphuis, Hoogleraar Psychodiagnostiek en Persoonlijkheid, Universiteit van Amsterdam

Fleur Kraanen, GZ-psycholoog in opleiding tot Specialist (GioS), Altrecht

Dick Nijenkamp, GZ-psycholoog en Praktijkopleider De Forensische Zorgspecialisten

Maurice Topper, GZ-psycholoog in opleiding tot Specialist (GioS), GGZ Noord-Holland-Noord

Bruno Verschuere, Universitair Hoofddocent Forensische Psychologie, Universiteit van Amsterdam