Oudste ‘Nederlandse’ kunst opgevist uit de Noordzee

Archeologie In de IJstijd lag de Noordzee droog. Vissers hebben een versierd bizonbot en schedel opgevist van de mensen die daar toen leefden.

Dit versierde bizonbot werd in 2005 uit de Noordzee opgevist. Het bot stamt uit de laatste IJstijd. Foto Rijksmuseum van Oudheden

De Noordzee is aan het einde van de laatste IJstijd, ruim 13.000 jaar geleden, nog een land met heuvels, dalen en rivieren. Ergens in dat landschap krast een jager met een scherpe vuursteen in een bizonbot. Hij of zij kerft zigzaggen. Eerst regelmatig en precies, later wat slordig.

In 2005 viste een kotter het bekraste bot van de Noordzeebodem op, ten zuidwesten van de ‘Bruine Bank’, op de grens van het Nederlandse deel van het continentaal plat. Verzamelaar Jan Glimmerveen kreeg het bot in bezit dankzij zijn goede contacten met vissers. Glimmerveen gaf Nederlandse archeologen van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) en Universiteit Leiden toestemming het bot te onderzoeken.

Het versierde bizonbot is 13.500 jaar oud, concluderen de archeologen dinsdag in Antiquity. Daarmee is dit het oudste stuk Steentijdkunst dat in ‘Nederland’ is gevonden. Het bot is ouder dan gegraveerde stenen die op het Nederlandse vasteland zijn gevonden.

Het versierde bizonbot past in een prehistorische trend waarbij dierlijke botten versierd werden met gekerfde zigzaglijnen en visgraatmotieven. Op drie plekken in Europa zijn aldus versierde voorwerpen van ongeveer dezelfde ouderdom gevonden: een paardenkaak in Wales, een hertengewei uit Noord-Frankrijk en een elandgewei uit Polen. Op het Poolse gewei staat ook een abstract stokfiguurtje, dat geïnterpreteerd wordt als vrouw met gespreide benen.

Het zóu kunnen dat deze voorwerpen werktuigen zijn geweest maar Luc Amkreutz, conservator prehistorie bij het RMO en eerste auteur van het artikel, acht een rituele functie waarschijnlijker. „Ik zou anders niet weten wat je met een versierde paardenkaak moet beginnen.”

Ook een schedel uit de Noordzee

De Leidse archeologen beschrijven in hetzelfde artikel ook een stuk schedel van 13.000 jaar oud uit de Noordzee. Beide Noordzeevondsten zijn aan de hand van koolstofisotopen gedateerd. Het schedelfragment is een deel van het linkerwandbeen, aan de zijkant van de schedel. Het schedelstuk is de oudste moderne mens (Homo sapiens) die op Nederlands grondgebied gevonden is. Alleen het schedeldakje van Neanderthaler ‘Krijn’ dat ook uit de Noordzee is opgevist is ouder: minstens 40.000 jaar oud.

Foto Rijksmuseum van Oudheden

„Deze bijzondere vondsten illustreren het enorme potentieel van de bodem van de huidige Noordzee”, zegt Wil Roebroeks. Roebroeks is hoogleraar archeologie aan de Universiteit Leiden, en niet bij het onderzoek betrokken. „Organisch materiaal uit deze periode is zeldzaam, laat staan menselijke resten.”

„Vondsten uit de Noordzee werden vroeger afgeschreven omdat de context van hun vindplaats niet bekend was”, zegt Luc Amkreutz. „Maar met nauwkeurige dateringen en materiaalonderzoek kunnen we laten zien dat de vondsten zélf al interessant zijn.”

Lees ook: De herontdekking van het verzwolgen Noordzeeland

Warm intermezzo

Het bizonbot en de mensenschedel stammen uit een warm intermezzo aan het einde van de laatste IJstijd. De IJstijd eindigde 11.700 jaar geleden definitief, maar tussen 14.600 en 12.800 jaar geleden warmde het klimaat al een poos op. ‘Warm’ is in dit geval relatief: met een gemiddelde jaartemperatuur van 10 graden Celsius was het een stuk koeler dan nu. Geologen verdelen deze warmere tussentijd in twee periodes: het Bølling en het Allerød.

In het Bølling was Nederland vooral leeg en kaal. Er leefden hier rendieren en paarden die werden bejaagd door jagers met complexe werktuigen zoals gekartelde harpoenen en atlatls (speerwerpinstrumenten). Deze jagers waren kunstzinnig, ze maakten afbeeldingen van wilde dieren. Archeologen kennen hun cultuur als het Magdalénien.

In het Allerød raakte Nederland steeds verder begroeid met dennen- en berkenbossen. De rendieren trokken weg naar het noorden en in hun plaats verschenen typische bosdieren zoals edelherten en elanden.

De mensen die in het Allerød op huidig Nederlands grondgebied leefdden hadden een andere levenswijze. Ze jaagden vooral met pijl en boog. Ze maakten eenvoudige, kleine spitsen die archeologen ‘Federmesser’ noemen. Het bekraste bizonbot en de schedel stammen uit deze tijd.

Genetisch onderzoek aan oude botten heeft laten zien dat de overgang naar Bølling en Allerød waarschijnlijk gepaard ging met immigratie. De mensen uit het Allerød hebben een grotendeels een andere genetische signatuur dan die uit het Bølling.

Noord-Europa was in deze tijd dunbevolkt. Archeoloog Leendert Louwe Kooijmans schat in zijn boek Onze Vroegste Voorouders (2017) dat er in het gebied dat nu Nederland is, rond deze tijd tussen de 150 tot maximaal 1.500 mensen leefden.

Misschien een vrouw

Van één van die schaarse bewoners is nu dus een stuk schedel teruggevonden. De persoon leefde 13.000 jaar geleden en was een volwassene van 22 tot 45 jaar oud rond de tijd van het overlijden. Op het wandbeen zijn geen ‘temporale lijnen’ zichtbaar (bij de slapen). Dat zou erop kunnen wijzen dat de schedel van een vrouw was, maar dat is onzeker. Aan de hand van DNA is wel met zekerheid vast te stellen of het om een man of vrouw gaat. Op dit moment wordt onderzocht of de schedel nog DNA bevat.

Er zitten putjes in het bot zo klein als speldenprikjes. Zulke putjes kunnen op bloedarmoede in de jeugd duiden, of op een vitamine-tekort (scheurbuik of rachitis).

Het bekraste bot is zo’n 500 jaar ouder dan de schedel. Het gaat om het middenvoetsbeen van een bizon. De decoratie is met zorg aangebracht. De maker heeft eerst vlakke panelen aangebracht en gepolijst voordat hij of zij het patroon kerfde. „Het begin is secuur, maar naar het einde toe steeds rommeliger. Alsof de aandacht een beetje verslapte”, zegt Amkreutz.

De voorwerpen laten volgens Amkreutz zien dat in het Allerød echt een nieuwe cultuur zijn intrede maakte. De abstracte patronen staan in schril contrast met de figuratieve grottenkunst uit het Magdalénien, vol natuurgetrouwe afbeeldingen van mammoeten, paarden en mensen.

De geometrische patronen zijn geïnterpreteerd als symbolen van beweging, ritme, water of een ‘zoektocht naar symmetrie’. Volgens de Deense archeoloog Peter Vang Petersen gaat het om het ‘bezweren van gevaren in oprukkende bossen’. „Maar dat kun je nooit met zekerheid weten”, zegt Amkeutz.

Na het relatief warme Allerød keerde de extreme kou nog één keer terug, vanaf 12.800 jaar geleden. De rendieren kwamen terug uit het noorden. De bossen stierven af, de Federmesser-jagers trokken zich verder terug naar het zuiden. Pas toen de IJstijd definitief voorbij was, duizend jaar later, keerden hun nazaten weer terug.

Andere Steentijdkunst uit Nederland:

    • Lucas Brouwers