Opinie

    • Maxim Februari

Met de een-na-laatste nachttrein naar Lourdes

Laatst kwam ik weer eens een heus hé-daar-kom-ik-aan-kind tegen. Sinds mijn jeugd is ‘hé-daar-kom-ik-aan-kind’ in onze familietaal een benaming voor iemand die het erg met zichzelf heeft getroffen. Een praatjesmaker die verwacht dat anderen ook direct paf zullen staan van zijn kwaliteiten. Narcist, sociopaat: als leek kun je er nepdiagnoses op los laten, maar ‘hé-daar-kom-ik-aan-kind’ beschrijft het geval nog het beste. De vrolijke, grapjesmakende charme met daaronder het meedogenloze egocentrisme.

Nou is het voordeel van een privéwoord als hé-daar-kom-ik-aan-kind dat het direct is; het nadeel is dat je het aan iedere buitenstaander moet uitleggen. Zo weten alleen mijn broer en ik dat spaghettipreû – de ‘preû’ op zijn allerbekaktst uitgesproken – een synoniem is voor pastasaus. Dat is jammer, want ik zou graag vaker spaghettipreû zeggen, ook in situaties waarbij mijn broer niet betrokken is.

Dan zijn er in je privétaal daarnaast nog de woorden die onderling juist verboden zijn, terwijl de rest van de samenleving ze volop gebruikt. Van mijn vriendin heb ik nooit ‘maaltijdsoep’ of ‘eetafspraak’ mogen zeggen; zelf trek ik de grens graag bij ‘leesplezier’. Om op te treden als taalpolitie hoef je immers niet moreel verontwaardigd te zijn, esthetische walging is al genoeg. Want, zeg nou zelf, ‘leesplezier’! Ik zal je met respect blijven behandelen als je het woord blijkt te gebruiken, maar helemaal serieus nemen zal ik je nooit.

Op dit punt aangekomen zou ik gewoonlijk beginnen aan een verhandeling over zelfgemaakte talen. Moedwillig onbegrijpelijke formele talen, zoals het Malbolge, een programmeertaal die zo is ontworpen dat niemand haar kan gebruiken. En dan zou ik afdwalen naar academische essays die geheel en al bestaan uit het woord ‘kip’, en zo zou dit al met al nog een oerdegelijk stuk worden. Maar de situatie is niet normaal, want sinds het begin van de Olympische Spelen in Peyongchang ben ik op taalkundig gebied in grote verwarring. Vanwege de term ‘een na laatste’.

Het begon allemaal met Sven Kramer: die moest tegen Patrick Beckert ‘in de een na laatste rit’. En volgens de pers was deze loting gunstig te noemen. Dat verbaasde mij hogelijk, want hoe gunstig kon het zijn voor Sven Kramer dat hij pas na de laatste rit aan de beurt was? En in welk universum was het mogelijk dat hij na die laatste rit zelfs nog won en dat hem dat vervolgens een gouden medaille – ‘plak’ – bezorgde?

Ik weet natuurlijk best dat je taal niet letterlijk mag nemen. Dat de zon ’s morgens niet echt opgaat, dat de schellen dan niet echt van je ogen vallen en dat de toekomst niet werkelijk gloort. Ik ben bekend met gebruik van beeldende taal. Maar welk beeld is met ‘een na laatste’ bedoeld? Bij mij roepen de woorden vooral visioenen op van een geestelijk leven buiten de tijd. Taaladvies.nl, dat het kan weten, noemt de formulering ‘niet fout’; maar het zal geen toeval zijn dat de site kiest voor een reis naar Lourdes als voorbeeld. ‘Gisteren vertrok de een-na-laatste nachttrein naar Lourdes.’ Inderdaad een spiritueel wonder dat die trein alsnog rijdt.

In zijn fameuze lezing over het oneindige – ‘Über das Unendliche’ - bracht de wiskundige David Hilbert in 1924 een oneindig aantal gasten onder in een hotel met een oneindig aantal kamers. Alle kamers zaten vol. Zodra een nieuwe gast arriveerde, werd iedereen gevraagd een kamer op te schuiven: zo kon de nieuwe gast zijn intrek nemen in kamer 1 en ging de oneindigste gast naar de één na laatste kamer.

Iets dergelijks moet aan de hand zijn in de sportwereld, waar volgens de verslaggeving niet alleen menigeen de een na laatste wedstrijd speelt - ‘de één na laatste wedstrijd van de dames is bezig!’ – maar na die wedstrijd ook steevast eindigt op de een na laatste plek. ‘FC Twente zakt naar één na laatste plek op de ranglijst.’ ‘Steensel zakt naar de een na laatste plek.’ Een oneindig aantal clubs blijkt zich op die metafysische locatie te verzamelen. ‘Na achttien eredivisieduels staan de blauw-witten op een een na laatste plaats.’ ‘Roda bungelt ondertussen op de een-na-laatste plaats.’ Zelfs de tegenstander! ‘De tegenstander eindigde in de najaarscompetitie als een-na-laatste.’ En dan heb ik het nog niet over de vrouwen van Volt en de ploeg uit Rijswijk.

Zolang de uitdrukking boventijdruimtelijke betekenis heeft, vind ik alles uiteraard best. Maar als je gewoon ‘op een na laatste’ bedoelt, alsjeblieft, zeg dan niet ‘een na laatste’. Geloof me, ik ben hartstikke fanatiek en militant op dit punt en ik vraag het echt, zoals ze dat in de verslaggeverij noemen, voor de enerlaatste keer.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari