Column

Brieven van Damocles

Column Ellen Deckwitz

Afgelopen week werd bekend dat Lucebert als jongeling het gedachtengoed van de nazi’s bewonderde: hij schreef brieven waarin hij de „joodse sjacherige zwetsaard” verfoeide en Hitler „onze Führer” noemde. Een goed deel van mijn omgeving was hier flink beroerd van. Sommigen wilden hem zelfs niet meer lezen, vonden hem een huichelaar omdat hij zijn nazisympathieën nooit had opgebiecht. Anderen zeiden dat literatuur niet om de schrijver maar om het werk draait, en dit nieuws dus niets afdeed aan de kwaliteit van zijn verzen. Er werd wat afgediscussieerd, juist omdat we in een tijd leven waarin kunst kan worden geboycot als de maker zich misdraagt.

Lucebert is een van mijn lievelingsdichters. Toegegeven, sommige verzen zijn flauw en niet om door te komen, maar meestal prikkelt zijn schrijven, door de muzikaliteit en vindingrijkheid zoals bij regels als ‘alle vlinders van dit voorjaar slapen op lesbos’ of ‘de spraakgebreken van de schaduw’. Ik lees zijn werk zoals ik als tiener de Openbaring van Johannes las: je snapt niet alles, maar begrijpt dat wat er staat van vitaal belang is.

Wat veel mensen dwarszit is dat Lucebert nooit vergeving heeft gevraagd voor zijn nazistische fase. Terwijl hij al die tijd moet hebben geweten dat die brieven er nog waren: hij vroeg de ontvangster ze immers goed te bewaren. Om het nog erger te maken was het bovendien geschreven bewijs (wat voor een woordkunstenaar als hij afschuwelijk moet zijn geweest). Het waren brieven die als Damocleszwaarden boven zijn hoofd hingen.

Zo sleepten de jaren zich voort. Ik probeer me voor te stellen hoe dat moet zijn geweest. Hoe is het om een nieuwe bundel af te leveren, daar lof voor te krijgen en te weten dat zodra die brieven naar buiten zouden komen, al het werk voor niets was?

Lucebert werd altijd geprezen om hoe hij in zijn poëzie de taal centraal stelde. Hij toonde haar volledige potentie door ermee te spelen, de reikwijdte van het woord op te rekken. De taal die hij had kunnen gebruiken om dit lijk uit de kast te halen, gebruikte hij om magistrale gedichten te maken waarin hij de rotte kant van de menselijke ziel belichtte. Waarin hij bovendien ook meermaals bezong hoe verdorven hij zelf was: ‘ik ben geen lieflijke dichter/ ik ben de schielijke oplichter/ der liefde, zie onder haar de haat.’ Het is de vraag of Lucebert zonder dit geheim zo mooi had geschreven over de duisternis als hij deed. En het is vervolgens de vraag wat de prijs mag zijn van schoonheid.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.