Foto Annabe Oosteweeghel

Vijf maanden lag Wim in een coma, toen werd hij wakker

Lang nadat zijn partner Linda Broesen zich door de artsen juist “een bepaalde kant op geduwd” voelde, kwam Wim van Dijk (52) na vijf maanden uit een coma. “Het leven dat Wim had, dat wij hadden, is weg.”

Het gebeurde op een warme zaterdagmiddag in september 2015. Wim van Dijk en Linda Broersen hadden samen boodschappen gedaan, Wim had daarna, om vier uur, nog een afspraak in de Utrechtsestraat in hun woonplaats Amsterdam. Hij ging op de fiets. Linda verwachtte Wim na uurtje weer terug. Hij zal nog wel langs z’n favoriete platenzaak gaan, dacht ze toen hij er rond zes uur nog niet was.

Nog een uur later belde ze Wim op zijn mobiele telefoon. Die ging wel over, maar er werd niet opgenomen. Ze belde nog eens, en nog eens. Rond half acht kreeg ze het gevoel dat er iets ergs gebeurd was. Ze keek op de site van AT5, de Amsterdamse nieuwszender. Man aangereden door tram op Frederiksplein, las ze. Tijdstip: kwart voor vier. Het Frederiksplein grenst aan de Utrechtsestraat.

Linda kreeg het warm en koud tegelijk. Ze belde de politie, raakte in paniek. Is dat mijn man, die van dat ongeluk? De politie kon nog niets zeggen, maar zou later contact met haar opnemen. Ze liep heen en weer, heen en weer door de kleine huiskamer. Ze zouden wel naar haar huis komen, dacht ze nog, om haar het slechte nieuws te brengen. Tot de politie haar terugbelde. Ze begon te gillen, denkt ze. Ze weet het niet meer.

Wim (52) kwam pas na vijf maanden weer volledig bij bewustzijn en herinnert zich niets van de dag van het ongeluk. Linda (42) is nu bezig met het schrijven van een verslag, zodat Wim kan lezen wat er allemaal met hem is gebeurd.

Wim: „Ik heb zulke vreselijke dingen tegen je gezegd.” Linda: „Dat was een fase, dat kwam door je hersenletsel.”

In hun bovenwoning in Amsterdam-West doet voornamelijk Linda het woord. „Wim lag eerst tweeënhalve week met zeer ernstig hersenletsel op de intensive care van het AMC. Hij lag aan de beademing, was volledig gesedeerd. Hij moest meerdere keren worden geopereerd omdat de druk op zijn hersenen te hoog opliep. Een stuk schedelbot werd verwijderd.” Iedere ochtend belde ze het ziekenhuis: is er nog iets gebeurd? Maar er gebeurde niets.

Tien dagen na het ongeluk werd Linda de beruchte keuze voorgelegd: wil je dat Wim vegetatief verder leeft of zullen we ermee ophouden? „Ik was in tranen, in paniek. Het ging me allemaal veel te snel.” Ze twijfelde niet: „Ik wist dat Wim niet dood wilde. Daar hadden we het toevallig al eens over gehad. Al raak ik gehandicapt, dan nog zou ik willen blijven leven, had hij gezegd.” Toch werd Linda de vraag een week later opnieuw gesteld, dit keer door een andere arts. Met de overgrote meerderheid van deze gevallen loopt het niet goed af, had deze arts gezegd, je moet je afvragen of je dat zou willen. „Ik heb die nacht niet geslapen. Ik was zó boos. Ik voelde me echt een bepaalde kant op geduwd. De kant van: trek de stekker er maar uit.”

Op 14 oktober werd Wim van de ic naar de zaal overgebracht en vervolgens naar een ander ziekenhuis. Overal kreeg Linda hetzelfde te horen: dat er niets meer te doen was en Wim naar een verpleeghuis zou moeten. Ze weigerde: „In een verpleeghuis is het klaar, daar wordt hij achter de geraniums gezet en is het wachten tot hij doodgaat.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Was er dan geen enkele andere optie? Wims toestand was veel te slecht voor een revalidatiecentrum, maar er moest toch nog iets mogelijk zijn? Linda ging zelf op zoek en kwam uit bij een verpleeghuis in Den Haag dat comateuze patiënten een ‘zintuiglijk prikkelprogramma’ aanbiedt. Op 5 november verhuisde hij naar Den Haag. Linda: „Als je niet mondig bent, kom je nergens.”

Iedere dag zat ze urenlang naast zijn bed. In de volle overtuiging dat Wim veel meer kon dan hem werd toegeschreven, bleef ze zelf ook met hem oefenen. Ze pakt de laptop en laat een filmpje zien. Het is de hand van Wim, in close-up, op een wit laken. „Wim, maak eens een vuist”, zegt de stem van Linda. „Maak eens een vuist voor me, Wim.” Traag, maar zonder hapering, trekken de vingers naar de binnenkant van de hand, de duim eromheen gevouwen. „Goed zo! Dat is een krachtige vuist! Kun je je hand nu weer ontspannen, Wim? Kun je een vlakke hand maken? Héél goed!” Wims rechterhand, die zich onder aanmoediging van Linda’s stem weer ontvouwt – er spreekt evenveel intimiteit als overlevingsdrang uit.

Laatste troef

Al was Wim uiteindelijk bij volledig bewustzijn en in staat te schrijven, er werd toch hierna geen vooruitgang meer verwacht. De intensieve behandeling zou beëindigd worden. Linda: „Maar ik had nog een troef. Ik stond erop dat het stuk schedelbot dat na het ongeluk was verwijderd, snel werd teruggeplaatst. Ik had gelezen dat dit enorm belangrijk was voor het herstel.”

Het bot werd in mei 2016 teruggezet. Een week later kon Wim weer praten. Hoewel moeizaam en niet voor iedereen goed verstaanbaar, zoals nog steeds het geval is. Toen kon hij wel worden overgebracht naar revalidatiecentrum Reade in Amsterdam. Daar was hij perioden onredelijk, ontremd en boos. Vooral Linda moest het ontgelden.

Wim: „Ik heb zulke vreselijke dingen tegen je gezegd.”

Linda: „Dat was een fase, dat kwam door je hersenletsel.”

Wim: „Heb je me vergeven?”

Linda: „Natuurlijk.”

Wim was altijd al geïnteresseerd in het christendom. Tijdens zijn verblijf in het revalidatiecentrum, door zijn verlangen naar steun en geborgenheid en zijn gesprekken met de geestelijk werker, besloot hij zich ook daadwerkelijk te laten dopen. Dat gebeurde vorig jaar oktober in de St. Augustinuskerk. Vooral de rooms-katholieke symbolen en rituelen, die uitdrukking geven aan zaken waar geen woorden voor zijn, doen veel met hem. En hij is ervan overtuigd dat Jezus hem nooit in de steek zal laten.

‘Ik tel mijn zegeningen’

Hij is in staat te lezen en muziek te luisteren. Hij houdt de internationale dagbladen bij. Leest graag over filosofie. Momenteel luistert hij vooral naar Händels Messiah en als er ’s middags een uitvoering in het Concertgebouw in Amsterdam is gaat hij daar graag naartoe. „Ik tel mijn zegeningen. Ik ben gelukkig getrouwd en heb lieve mensen om me heen.” Binnenkort krijgt hij, met financiële steun van de gemeente, een driewieler. „Ik ga weer fietsen door het Vondelpark. Met de geur van de bomen en de wind in m’n gezicht.”

Het heeft een hele tijd geduurd voordat hij begreep dat hij nooit meer zou kunnen werken. Hij hield zichzelf voor: na de zomervakantie ga ik weer aan de slag. Maar hij wordt nooit meer de oude. Hij ziet slecht met zijn rechteroog en heeft een verminderd reactievermogen, wat deelname aan het verkeer erg lastig maakt. Hij is snel moe, hij loopt met een rollator omdat zijn evenwicht is verstoord. Soms staat het licht niet lang genoeg op groen om over te steken. Er zijn dagen dat hij niet verder komt dan het eind van de straat en rechtsomkeert maakt.

Hij schrikt snel van de harde geluiden van de stad. Met de tram naar boekhandel Scheltema om eindeloos rond te neuzen zit er niet meer in. De knoopjes van zijn overhemd kan hij met moeite dichtmaken, veters strikken gaat niet meer.

Maar het belangrijkste: hij praat erg moeizaam. „Praten was mijn werk, ik was leraar. Wat ben ik nu? Een uitkeringstrekker. Een invalide. Mijn werk was mijn identiteit – ik ben mijn identiteit kwijt.”

„Als ik ooit in deze situatie terecht zou komen, zou ik niet willen blijven leven”, zegt Linda. „Het gaat fantastisch, gezien de vooruitzichten die er na het ongeluk waren. Maar het is onvergelijkbaar met de situatie vóór het ongeluk. Het leven dat Wim had, dat wij hadden, is weg. Op veel punten ben ik nu Wims verzorger.”

Of ze ooit weleens heeft gedacht: ik trek dit niet meer? „Ja”, zegt Linda, „toen Wim me zo slecht begon te behandelen. Toen wist ik niet zeker of ik het nog aankon.”

Wim: „Als je ooit een andere man tegenkomt… Mijn zegen heb je.”

Linda, licht bestraffend: „Hè! Wim!”