Recensie

‘Meesterpianist’ Mikhail Pletnev gaat contrasten niet uit de weg

Klassiek Mikhail Pletnev speelde een Rachmaninov-programma als onderdeel van de serie Meesterpianisten in het Concertgebouw. Hij gaf in zijn recital een sublieme nieuwe draai aan de muziek.

Mikhail Pletnev Foto Russianarts.org

Mikhail Pletnev stopte een jaar of tien geleden met het geven van pianorecitals, om zich te concentreren op zijn alternatieve carrières als dirigent en componist. Zulke grillen zijn voorbehouden aan de echte groten. Nu is Pletnev geen slechte dirigent, maar gelukkig keerde hij na een paar jaar ook terug aan de piano. Pletnev heeft niets te bewijzen, maar in een geheel aan Rachmaninov gewijd programma bewees hij bijna achteloos heel erg veel.

Op zijn dooie akkertje daalde Pletnev de Concertgebouwtrap af, maakte een halfslachtig buiginkje en zat nog niet op zijn stoel (geen kruk) of hij was al begonnen. Hoewel we dankzij opnames weten hoe transparant en onopgesmukt Rachmaninov zelf speelde, wordt zijn pianomuziek in andere uitvoeringen nog al te vaak gesmoord in pathos. Bij Pletnev niets daarvan. Geen overdreven rubato, geen effectbejag, geen hol vertoon van virtuositeit, geen donderende climaxen. Pletnev gaat de grote contrasten niet uit de weg, maar bovenal verstaat hij de kunst van het rijkgeschakeerde pianissimo, dat nuances en gradaties blootlegt waar je ze nooit had vermoed. Zijn toucher is ongeëvenaard fijnzinnig. En of hij nu impressionistische halftinten opriep in de ‘Barcarolle’ (Nr. 3 uit Op. 10) of glashelder en lichtvoetig door de Nr. 7 uit Prelude op. 23 danste, iedere noot klonk volkomen authentiek.

In 1909 toerde Rachmaninov voor het eerst door de VS. Het programma van die tournee nam Pletnev als uitgangspunt voor zijn Rachmaninov-recital en hij vulde het aan met een paar stukken van later datum: twee van de Preludes op. 32, en Nr. 7 uit de Études-Tableaux, op 39. Met een uitgepuurde lezing van die vooruitstrevende etude besloot Pletnev het deel voor de pauze, en alleen al de peinzende manier waarop hij de duister-ingetogen slotakkoorden vormgaf was subliem. Een ander hoogtepunt was het ‘Lento’ uit de Eerste pianosonate, met een melodie die in ontwapenende eenvoud opbloeide uit een feeëriek floers.