Column

Ga eens googlen in je eigen hoofd

‘Zoeken’ hoort bij de vaardigheden van het digitale tijdperk. Toch is het pijnlijk hoe weinig je weet als je Google in je broekzak houdt.

Auw. Slechts zes van de tien vragen goed. Misschien is de maandagochtend na het carnavalsweekeinde ook niet het beste moment om een online IQ-test te doen. Ik was nieuwsgierig naar mijn score omdat recent gedoe bij Forum voor Democratie de discussie over intelligentie aanwakkerde. Een FvD-lid legde een link tussen IQ en volkeren. Dat is nonsens, zeggen wetenschappers.

Intelligentie is het product van genen en omgeving. En, in mijn geval, wordt het bepaald door wat je de avond ervoor deed. Het hangt er ook van af of je geheugen goed werkt. Ik heb het idee dat mijn geheugen aan het verstoffen is sinds 1995, toen zoekmachine AltaVista z’n intrede deed. Met Google binnen handbereik werd het erger. Elk wissewasje zoek ik op. Dat haalt de sjeu uit discussies die we vroeger hadden: of Vicky nou de dochter of de kleindochter was van Loveboat-kapitein Stubing. En welke rockband die eenarmige drummer had.

Feiten worden zoekresultaten

Feiten worden vervangen door zoekresultaten. Op zich word je daar niet dommer van – ‘zoeken’ hoort bij de vaardigheden van het digitale tijdperk. Online toegang tot informatie leidt niet per se tot meer kennis. Nicholas Carr beschreef in The Shallows: What the internet is doing to our brains (2010) dat we via een beeldscherm maar oppervlakkig informatie opnemen. Onze concentratie wordt er ook niet beter op als we 34 dingen tegelijk doen.

Ik kijk met jaloezie naar mijn dochter van acht, die in één middag de Europese hoofdsteden, de songteksten van de nieuwe Kinderen voor Kinderen-cd en de volgorde van de Amsterdamse grachten uit haar hoofd leert. Zij werkt geconcentreerd, nog niet verpest door beeldschermen – hoewel de lobby voor een eigen telefoon al in volle gang is.

Voor mij is het te laat. Er lopen allerlei rare lijntjes tussen mijn hersens en de Crtl-L knop (zoekopdracht in de browser). Soms tik ik een woord dat ik helemaal niet op wil zoeken, maar toevallig in mijn hoofd ronddwarrelt. ‘Boodschappen doen’ bijvoorbeeld. Of ik zoek ongemerkt een woord dat ik net iemand anders hoorde zeggen, zoals ‘rentevoet’.

Er lopen rare lijntjes tussen mijn hersens en de Crtl-L knop van mijn browser

Marc Maps

Vorig jaar, ergens in de zomer, probeerde ik me een plaatsnaam te herinneren. Hij lag op het puntje van mijn tong. Iets met een A, met drie lettergrepen. Ik besloot niet voor een quick fix naar Google of Google Maps te grijpen, maar in mijn geheugen te graven. In mijn hoofd zoomde ik in, op Marc Maps, met Streetview.

Het was een dorpje in de Achterhoek, waar ik vaak doorheen fietste. Ik kon me de kerk, de kroeg, de straat en zelfs het bordje bebouwde kom voor de geest halen. Er stond alleen niets op, behalve die ene A.

Achttien uur lang prevelde ik allerlei ‘A’-variaties in drie lettergrepen, op zoek naar de magische plaatsnaam. Totdat ik om half zes ’s ochtends wakker schoot en hardop ‘Vragender!’ riep. Dat voelde als dat Eureka!-moment van eh, kom, Archimedes. Alsof ik een stukje van mezelf had teruggevonden.

Pijnlijk hoor, hoe weinig je weet als je Google in je broekzak houdt. Ik haal troost uit deze wijze woorden van John Cleese: je moet relatief slim zijn om te beseffen hoe dom je bent.

is techredacteur