Opinie

    • Tom-Jan Meeus

Politiek van krimpende kwaliteit en een groeiend gebrek aan nederigheid

Deze week: gedoe in de PvdA, Baudets partij én in de coalitie.

Ofwel: zou het kunnen dat de kwaliteit van onze politici nogal afneemt?

Tekst / Illustratie

Woensdagavond, tegen een uur of acht, liep ik in de gangen een PvdA’er tegen het lijf. We maakten een praatje over de dingen van de dag: de Donorwet, Baudet, het Groninger gas.

Op het laatst schertste ik: „En wanneer verwacht je dat Marleen Barth vertrekt?”

„Wij hebben afgesproken”, zei de PvdA’er spottend, „dat ik nu héél neutraal ga kijken.”

Het was het zoveelste momentje waarop je deze week aanvoelde: we beleven de laatste dagen van het politieke leven van Marleen Barth, voorzitter van de Eerste Kamerfractie van de PvdA.

Zij had, zeker voor iemand die zo lang meeloopt, twee onbegrijpelijke blunders begaan.

Eerst waren er de mails op poten, onthuld in deze krant, waarmee ze bij de gemeente Wassenaar de huurprijs van de burgemeesterswoning probeerde te drukken, kort nadat haar man daar als burgemeester was afgezet.

Vervolgens besloot ze het uiterst gevoelige Eerste Kamerdebat over de Donorwet te volgen vanaf een vakantieadres op de Maldiven.

Zo gaf zij het begrip verantwoordelijkheidsvakantie een geheel nieuwe betekenis.

En het frappante was: het duurde nog even voordat Barth op die Maldiven ook zelf doorkreeg dat ze haar krediet volledig had verspeeld.

Maar toen ze donderdagochtend, half zeven, terug in Nederland, telefonisch contact had met haar plaatsvervanger in de Eerste Kamerfractie, André Postema, liet ze dan toch weten dat ze uit de politiek stapte.

Niet dat die keuze nog veel uitmaakte: dezelfde Postema had de dagen ervoor zijn fractie informeel gepeild over Barth, en daaruit was gebleken dat de PvdA-senatoren het ook mooi geweest vonden met Marleen.

Toch bleef ik nog met iets anders zitten.

Als je de lijst van haar voorgangers afliep, zag je mensen als Joop van den Berg, Job Cohen, Ria Jaarsma, Johan Stekelenburg, Han Noten. Politici van wie je wist: die zouden het nooit in hun hoofd halen tijdens een gevoelig Kamerdebat tussen de palmbomen te gaan liggen.

Dus ik dacht: zou het ook kunnen dat de kwaliteit van onze politici nogal afneemt?

Vergelijkbare ideeën kwamen op toen ik dinsdag de beslissende momenten in het debat over de Donorwet volgde.

Je kunt allerlei vragen hebben over het bestaansrecht van de senaat, maar een extra toets op wetgevingskwaliteit kan in tijden van hypes en verhitte debatten best nuttig zijn.

Maar gebeurt dit nog? De initiatiefwet van Pia Dijkstra maakt van mensen een potentiële donor als ze zich niet registreren. De senaat stond er evenwel op dat nabestaanden een donatie kunnen blijven blokkeren.

Om dit laatste af te dwingen dienden senatoren van vijf partijen dinsdag een motie in met de lengte van een vergunning.

Op punten was de tekst erg onprecies („zoveel als mogelijk”), dus je dacht: hier voorkomt de Eerste Kamer geen uitvoeringproblemen, hier creëert de Eerste Kamer uitvoeringsproblemen.

Ik begreep het wel: dit was een politieke deal. Zonder de motie maakte de wet weinig kans, mét die motie haalt de wet het vermoedelijk net.

Maar ook hier is kwaliteitsverlies de prijs, en ook hier is de vraag: zou dit twintig jaar geleden zijn gebeurd?

De week stond vooral in het teken van Forum voor Democratie, en ook in de debatten daarover meende ik een zekere slordigheid te zien.

Zondag en maandag was de VVD-top heimelijk bijeen in een zogenoemde ‘Goult-sessie’, strategieberaad genoemd naar het Zuid-Franse buitenhuis van Ben Verwaayen. Het was deze keer in Bergen, Noord-Holland.

De premier bespreekt er met partijgetrouwen politiek-tactische hoofdlijnen. De partijtop maakte deze keer ook nader kennis met enkele nieuwelingen, zoals de laatst gekozen partijvoorzitter.

Formeel stond de toespraak van vicepremier Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) van vrijdag, waarin ze zich keerde tegen „het praten over rassen” door FvD, niet op de agenda bij de VVD.

Feit was dat Rutte daar nogal druk mee was: zaterdag deed Baudet aangifte tegen Ollongren wegens smaad en laster, en dat noopte de kabinetstop – Rutte en zijn vicepremiers – tot telefonisch vergaderen op zaterdagavond, rond half acht. Ook fractievoorzitters haakten aan.

Coalitiepartners waren tevoren niet verwittigd over Ollongrens uitspraken, en je hoefde geen doctorandus in de politicologie te zijn om te zien dat de D66-vicepremier hier uit coalitieoogpunt een gewaagde afslag had genomen.

Controverse tussen D66 en FvD is in de peilingen goed voor D66 én FvD. Maar niet voor VVD en CDA: veel virtuele zetelwinst van FvD komt van die partijen.

In dat cynisme – D66 laten vooruit helpen en dus Baudet laten groeien – hebben ze in VVD en CDA niet overdreven veel trek.

Dus in contact met de coalitiepartners bleven Rutte en Buma zakelijk, begreep ik, maar een CDA’er zei deze week: D66 zou ook niet staan te juichen mochten wij „de milieuflauwekul van GroenLinks” bekritiseren.

Bij alle commotie viel nogal op dat begrippen gemakkelijk werden verbasterd. Het is waar: de nummer twee van FvD in Amsterdam, Yernaz Ramautarsing, zei in 2016 tegen Brandpunt: „Ik had graag gezien dat zwarte mensen hyperintelligent waren (…). Maar dat is niet zo.’’

Feit is evengoed dat hij dit zei in de context van een interview over IQ, volkeren en arbeidsmarktkansen.

Nu is wetenschappelijk onderzoek naar IQ-verschillen tussen volkeren zeer omstreden. Op IQ-tests kun je bijvoorbeeld oefenen – en als dat is gebeurd, meet je geen intelligentie meer, maar expertise. Die resultaten daarna vergelijken met tests uit andere landen, bijvoorbeeld met een lager onderwijsniveau, is wetenschap van lik-mijn-vestje.

Baudet heeft zich op dit punt steeds wijselijk op de vlakte gehouden: in een recente discussie met Femke Halsema weigerde hij positie in te nemen.

Het echte nieuws kwam daarom, ná Ollongrens toespraak, dinsdag van zijn partijgenoot Hiddema: die zei plompverloren in De Telegraaf dat door de wetenschap „allang bewezen” is dat er een verband zou zijn tussen IQ en volkeren.

Volkeren zijn geen ras, dus racisme kun je dit formeel niet noemen. Maar na de oorlog is het naar mijn beste weten nooit eerder gebeurd dat een Nederlands Kamerlid zei: IQ-verschillen tussen volkeren staan wetenschappelijk vast.

En in geen van de interviews met Baudet die ik daarna zag, was hij bereid de stelling van zijn fractiegenoot te onderschrijven.

Dus zoals ik me afvroeg of Ollongren terecht klaagde dat FvD „praat over rassen”, zo dacht ik ook: die Hiddema is geen Fortuyn – die heeft de finesses van de vraagstukken waarover hij spreekt, nog lang niet allemaal onder de knie.

FvD lag deze week vooral ook onder vuur door kritiek van geroyeerde leden. De partij van het referendum zou onvoldoende democratie toestaan. Partijprominenten zoals Frank Ankersmit, vorig jaar lijstduwer, en Susan Teunissen, vorig jaar derde op de lijst, bleken hun lidmaatschap te hebben opgezegd. Het maakte een chaotische indruk.

Het illustreert dat ook deze nieuwe partij, ondanks kritiek op het ‘partijkartel’, op dit moment de kwaliteit en coherentie tekortkomt om een volwaardige rol in de nationale politiek te spelen. De FvD kampt, zoals de hele politiek, met een nogal matig niveau – en ontbeert daarbij de nederigheid om dat ook zelf onder ogen te komen.

    • Tom-Jan Meeus