Hoe de toekomst verdween uit Janesville

Non-fictie

Na het sluiten van de autofabriek van General Motors, maken de inwoners van Janesville er het beste van. Maar er zitten grenzen aan zelfredzaamheid.

De prominente Republikeinse politicus Paul Ryan staat in de keuken van zijn huis in Janesville als hij wordt gebeld door Rick Wagoner, topman van General Motors (GM). Het is 2 juni 2008. De hoogconjunctuur die Amerikanen jarenlang heeft voorzien van voorspoed en zelfvertrouwen vertoont al onmiskenbaar barsten.

Ook autofabrikanten hebben het moeilijk. Wat dat betekent, weten ze in Janesville maar al te goed. Het middenklassestadje in Wisconsin met 63.000 inwoners produceert al sinds 1923 Chevrolets voor GM. Economische tegenspoed leidde regelmatig tot reorganisaties. Als het heel erg was ging de fabriek soms zelfs een tijdje dicht. Geen paniek: GM zorgde goed voor zijn werknemers en uiteindelijk rolden er altijd weer auto’s van de band.

Deze keer is het anders. Wagoner vertelt Ryan, Congreslid in Washington maar een kind van Janesville, dat GM de fabriek gaat sluiten. Ryan kan zijn oren niet geloven. Er werken bijna 5.000 mensen, nog eens een veelvoud bij lokale toeleveranciers die volledig afhankelijk zijn van GM. Iedereen kent wel iemand bij het bedrijf. Janesville is GM. „Je weet dat je dit stadje te gronde richt als je dit doorzet” schreeuwt Ryan in de telefoon. Zijn woede maakt geen indruk. Eind 2008 vertrekt GM definitief uit Janesville.

Desondanks leeft de stad nog. Hoe en waarom blijkt uit het even gedetailleerde als invoelende verslag dat Washington Post-journalist Amy Goldstein schreef over de nasleep van de fabriekssluiting. Vijf jaar lang volgde ze drie met GM vergroeide families, sociaal werkers, onderwijzers, arbeidsbemiddelaars en zakenlui in hun pogingen om zichzelf en Janesville opnieuw uit te vinden.

Je weet dat je dit stadje te gronde richt als je dit doorzet.

Het resultaat van haar werk, door de Financial Times gekozen als beste boek van 2017, stemt tegelijk hoopvol en treurig. Hoopvol, vanwege de vertederende volharding waarmee de inwoners van Janesville proberen voor zichzelf en elkaar een toekomst te bevechten. In niets voldoen ze aan het clichébeeld van een gewezen Amerikaanse industriestad waar het vertrek van de grote werkgever slechts frustratie, gevoelens van miskenning en wanhoop achterliet. (Janesville stemde voor Hillary Clinton in 2016). „Mensen klampen zich vast aan de can-do-mentaliteit van Janesville”, stelt Goldstein vast.

Maar het verhaal van Janesville is óók wrang. Want armoede en aanverwante ellende – vernedering, stress, polarisatie – sluipen uiteindelijk toch de stad in, nauwelijks gehinderd door politieke bekommernis en aangewakkerd door het dunne sociale vangnet in de VS.

Goldstein, winnaar van de Pulitzer Prize in 2002, oordeelt nergens. Noch probeert ze haar boek – simpelweg Janesville getiteld – met zware theoretische beschouwingen extra gewicht of betekenis te geven. Gelukkig, het zou maar ballast zijn. De verhalen van de inwoners zijn veelzeggend genoeg.

Theorie en retoriek zijn in Janesville voorbehouden aan politici – links én rechts – die zich gulzig opwerpen als beschermheren van de ontslagen fabrieksarbeiders. Om te beginnen Barack Obama. Vlak na zijn eerste verkiezing als president beloofde hij in een bewogen speech te zullen vechten voor „al die mannen en vrouwen die werken in de auto-industrie en de talloze gemeenschappen die er van afhankelijk zijn”. Er kwam zelfs een speciale Witte Huis-commissie om het herstel in de gewonde auto-steden te bevorderen. Geen wonder dat Janesville veel verwachtte van de komst van de commissie-voorzitter, Ed Montgomery. Ten onrechte. Een paar weken na het bezoek wisselde Montgomery van baan en verdween de commissie in de marge. Janesville hoorde er nooit meer iets van.

Janesville had geen schijn van kans.

Het blijkt exemplarisch voor wat de stad van politici kon verwachten. Scott Walker, de Republikeinse gouverneur van Wisconsin, presenteerde zich steevast als vriend van de ontslagen fabrieksarbeiders. Ondertussen zette hij het mes in de toch al uiterst magere steunvoorzieningen en muilkorfde de vakbonden. Van zijn belofte om banen te creëren kwam niets terecht. Zelfs Ryan, die prat gaat op zijn afkomst, kon niets voor Janesville betekenen. „Met het verstrijken van de jaren werd duidelijk dat niemand van buiten – Democraten noch Republikeinen, bureaucraten in Madison (de regionale hoofdstad, red.) noch Washington, vakbonden noch bedrijven – de sleutel had om de middenklasse te herstellen”, concludeert Goldstein.

Liefdadigheid

Kortom, Janesville was aangewezen op zichzelf en zijn inwoners maakten er het beste van. Aanvankelijk zelfs nog vanuit de overtuiging dat GM wellicht bewogen kon worden de fabriek weer te openen. Zo vreemd was die gedachte niet. Het concern had een nieuw model ontwikkeld en één van de gesloten locaties in de VS werd uitverkoren voor de productie. Waarom niet Janesville?

Kwestie van geld. Met hulp van vakbonden en lokale politici schraapte het stadje 200 miljoen aan belastingvoordelen en andere prikkels bij elkaar om GM terug naar Janesville te halen. Alleen: een plaats in Michigan was nóg wanhopiger en bood vijf keer zoveel, plus lagere lonen. „Janesville had geen schijn van kans”, concludeert Goldstein.

Dus lieten velen in het stadje zich omscholen – een van de weinige oplossingen waar overheidsgeld voor beschikbaar was. Anderen accepteerden een overplaatsing naar een GM-fabriek honderden of soms zelfs duizenden kilometers verderop en pendelen sindsdien wekelijks op en neer. Een zakengezelschap ging lobbyen om nieuwe bedrijven te trekken. En er kwamen inzamelingsacties – kleding, voedsel – want veel mensen beseften dat het lot van de ontslagen arbeiders uiteindelijk iedereen aanging.

Was het genoeg? De optimisten in Janesville – zij die niet of nauwelijks zijn geraakt door het vertrek van GM – claimen succes. Zij vieren dat de werkloosheid in Janesville is gedaald van meer dan 14 procent op het dieptepunt van de crisis tot minder dan 4 procent in 2017, voornamelijk dankzij de komst van een paar grote distributiecentra.

Maar door de ogen van Goldsteins hoofdpersonen zien we dat de meeste inwoners van Janesville leven in een kille werkelijkheid. Mensen verdienen vaak nog niet de helft van hun vroegere loon, zij die zich omschoolden verrassend genoeg nog minder. Scholieren hebben soms wel drie banen om het inkomen van hun ouders aan te vullen. Liefdadigheid is in de loop der jaren opgedroogd, simpelweg omdat minder mensen zich kunnen veroorloven genereus te zijn. Medische zorg is niet meer voor iedereen toegankelijk. Het aantal zelfmoorden is dubbel zo hoog als voor de crisis.

Zo is Janesville veel meer dan een ontroerend portret van een vitale gemeenschap die een groot verlies verwerkt. Goldstein toont met haar boek de grenzen van zelfredzaamheid in tijden van globalisering, juist omdat het stadje eigenlijk alles goed doet.