‘Bij het afscheid leek het of hij sliep’

Orgaandonatie

Wijnand Vossestein en Anjo van de Mortel moesten als nabestaanden een beslissing nemen over orgaandonatie. De een voelt trots, de ander spijt.

Wijnand Vossestein, vóór de orgaandonatiewet: „Mensen zijn een beetje lui.” Foto David van Dam

Dat zijn moeder haar hoornvlies en hartkleppen heeft gedoneerd, geeft Wijnand Vossestein uit Soest nog altijd een „tevreden en plaatsvervangend trots” gevoel. Een gevoel dat is versterkt door de brief die veel nabestaanden een aantal weken na zo’n donatie ontvangen. Daar staat in wat er met het weefsel of de organen is gebeurd. Een man van 45 en een vrouw van 67 kregen haar hoornvlies. Vossestein: „Misschien kunnen die daardoor weer beter zien.” Die brief zit nu in het „sentimentsmapje” dat hij over haar samenstelde. Vossesteins moeder overleed ruim een jaar geleden aan de gevolgen van longziekte COPD.

Anjo van de Mortel (55) uit Heeze kreeg ook bericht – over de bestemming van de organen van haar man, die negen jaar geleden overleed na hersenbloedingen. Even later ontving ze bovendien een brief van de vrouw wier leven haar man had gered. Maar Van de Mortel had dat tevreden gevoel niet. Het werd overschaduwd door ontevredenheid over het verloop van de hele donatieprocedure. „Het was niet toereikend”, zegt ze.

De afgelopen twee weken hebben nabestaanden een prominente rol gespeeld in het politieke debat. Dinsdag wordt in de Senaat gestemd over een nieuwe wet waarin staat dat wie niets laat registreren, automatisch ‘geen bezwaar’ heeft tegen orgaandonatie. Wat is de rol van de nabestaanden als hun geliefde zich niet geregistreerd heeft met een duidelijk voor of tegen orgaandonatie, vroeg de Eerste Kamer zich af. Mogen zij dan wel meebeslissen? Nabestaanden houden hierin het laatste woord, zei Pia Dijkstra vorige week in een brief.

Hersendood

Anjo van de Mortel en haar man leerden elkaar kennen in het ziekenhuis, waar zij operatieassistent was en hij geestelijk werker. Hij begeleidde geregeld nabestaanden bij het nemen van de beslissing over orgaandonatie. Zij hielp soms bij „uitnameoperaties”.

Op een vrijdagavond voelde hij zich ineens niet goed. Ze belde een ambulance. Hij stapte zelf nog op de brancard. Zij pakte zijn toilettas in, sloot het huis af en reed de ambulance achterna. „Die reed stapvoets. Toen wist ik het: een hersenbloeding. Dan mag je niet te veel hobbelen.” Diezelfde avond zeiden de artsen dat hij niet meer te redden was. „Het lichaam ademt. Het transpireert. Het plast. Zijn zoon hield zijn hand vast en hij bewoog.”

Eerst antwoordde Van de Mortel ‘nee’ op de vraag of zijn organen gedoneerd mochten worden. „Hij zei altijd: ik laat over aan jullie wat er met mijn organen gebeurt. Hij had het me niet moeilijker kunnen maken.” Later, ze weet nog steeds niet precies waarom, zei ze toch ‘ja’. Daar heeft ze spijt van.

Op zondag werd de hersendood vastgesteld. Het lichaam wordt dan kunstmatig beademd, waardoor hart, longen, lever, alvleesklier, nieren en dunne darm geschikt blijven voor transplantatie. Je neemt afscheid van een lichaam dat lijkt te slapen, zegt Van de Mortel. „Hij kwam uren later pas terug.” Toen was hij zichtbaar overleden. „Dat moet je je heel goed realiseren. Ik was niet bij het stervensproces betrokken.”

In de voorlichting is te weinig aandacht voor het stervensproces bij orgaandonatie, vindt ze. Ze is principieel tegen deze donorwet, omdat die mensen volgens haar dwingt tot het maken van een keuze. De aanvulling die Dijkstra vorige week in haar brief deed, heeft voor haar daarom „weinig meerwaarde”.

Ogen uitnemen

De moeder van Wijnand Vossestein (42) werd zeer kortademig en kreeg in het ziekenhuis de slaapopwekker Dormicum. Naar verloop van tijd stopte ze met ademen, haar hart klopte niet meer. Ze stond geregistreerd als donor, met de aantekening dat nabestaanden anders mochten beslissen. Vlak na haar dood stelden artsen vast dat haar hoornvlies en hartkleppen in goede conditie waren. „We hebben niet eens adem hoeven halen toen de arts het vroeg”, zegt Vossestein. Vanwege de manier van sterven – haar hart was al gestopt en ze was niet hersendood – waren de organen niet geschikt voor donatie. „We moesten wel even slikken toen de artsen het uitlegden: ‘Dan gaan we de ogen uitnemen. Er komen knikkers in met een antisliplaagje.’ Heel plastisch. Alsof ze een tuinhekje komen monteren. Tegelijk was het ook waardig, juist omdat het zo duidelijk was.”

Vossestein is verheugd over de donorwet die er mogelijk komt. „Mensen zijn van nature een beetje lui en schrijven zich daarom niet in.” Dat nabestaanden bij ‘geen bezwaar’ het laatste woord hebben, vindt hij terecht. Het zal voor hen gevoelsmatig minder lastig worden om toestemming te geven, denkt hij.

Vossestein was net even niet in het ziekenhuis toen zijn moeder haar laatste adem uitblies. „Dat vond ik niet heel belangrijk, ik had al afscheid genomen voordat ze in slaap werd gehouden.” Maar zijn zus, vertelde ze later aan hem, vond het heel waardevol om hun moeder voor het laatst te zien ademen. „Zij had donatie lastig gevonden als ze dat niet had kunnen meemaken.”

Van de Mortel is weggegaan bij het ziekenhuis en werkt sinds twee jaar als zelfstandig stervensbegeleider – een direct gevolg van haar donatie-ervaring. „Ik ben bij mensen thuis in de periode dat ze sterven. Je ziet hoe mooi het kan zijn voor de nabestaanden. Zo intiem.”

    • Kim Bos