opinie

    • Petra Possel

Wilde ganzen

De stad uit (11)

Veel Amsterdammers denken er stiekem weleens over na: de stad uit, weg van de drukte. Journalist en radiomaker Petra Possel (54) deed het. Na 30 jaar Amsterdam verhuisde ze naar een klein dorpje in Friesland. In NRC brengt ze regelmatig verslag uit.

Als ik in de stad verblijf, zit ik om de haverklap in een restaurant, een kostbare gewoonte die ik op het platteland nu langzaam afleer. Noodgedwongen afleer. In een straal van dertig kilometer zijn de restaurants van een beetje kwaliteit op de vingers van één hand te tellen. Op twintig minuten rijden van mijn dorp zat ik te eten in een restaurant dat was ingericht met meubels uit de horecagroothandel en verder ook niet te lijden had aan goede smaak. De donkerbruine bar was kaal, het licht karig en zelfs de haard was lauw. Op de kleine wijnkaart stonden wijnen voor een prijs per glas waar je in de hoofdstad nog geen kop koffie voor krijgt, aan een lange tafel zat een grote familie zwijgend te eten. Als er iets gemeld moest worden, gebeurde dat in het Fries. De jongemannen zaten met beide ellebogen op tafel en schoven zo hun eten naar binnen. De specialiteit van de dag was wilde gans. Gestoofde ganzenpootjes in een pannetje jus met spruitjes, cranberries en gebakken aardappels.

Er zijn veel winterganzen in Friesland en over hun lot is men het stevig oneens. Natuurbeschermers willen dat er aan het massaal afschieten paal en perk wordt gesteld, boeren klagen steen en been over de schade aan de weilanden en jagers schieten ze met permissie uit de lucht. En als ze dan toch dood zijn, zetten koks ze op de kaart. De gans laat zich niet gemakkelijk bereiden, maar de chef van deze zaak wist hoe hij gans mals moest krijgen. Het vlees viel van de botjes, de smaak was intens en vreselijk lekker.

Terwijl ik alleen nog maar aandacht voor mijn ganzenstoof had, zwierde de keukendeur open en beende een man, die voorlopig niet het boegbeeld van Weight Watchers wordt, op mijn tafeltje af. De chef. Hij trok er een stoel bij en vertelde hoe hij aan zijn wild kwam, de jagers kwamen het gewoon aan de deur brengen. Als ik even geduld had, zou ik zo een boerenzoon ontmoeten die met zijn vader op hazen joeg. En hij trok me mee naar zijn keuken waar in een plastic emmer vijf hazen lagen te besterven. „Over een paar dagen eten we haas”, zei hij opgetogen en zijn ogen glommen.

’s Avonds onder mijn dekbed lag ik te luisteren naar de woeste golven van het IJsselmeer. Terwijl de wilde ganzen overvlogen, droomde ik van mijn volgende maaltje.

    • Petra Possel