Intelligentieverschillen genetisch bepaald? Nonsens!

Ineens gaat het politieke debat over ras en IQ. Bestaat zo’n verband? Nee, zeggen experts. „Dat idee is gebaseerd op drogredenen en foute conclusies.”

Foto Istock

‘Er is een verschil in IQ tussen volkeren. Dat is wetenschappelijk bewezen.” Dit zei Yernaz Ramautarsing, kandidaat van Forum voor Democratie voor de gemeenteraad van Amsterdam, twee jaar geleden in een interview met Brandpunt.

Ramautarsings uitspraken leidden deze week tot ophef op het Binnenhof. Het is belangrijk om de genetische of natuurlijke aanleg voor intelligentie in deze discussie te betrekken. Als intelligentieverschillen tussen bevolkingsgroepen níet zijn aangeboren en bijvoorbeeld kunnen worden opgelost met extra scholing, is er niet veel aan de hand. Maar zo ziet Ramautarsing de kwestie niet. „Als wij IQ handmatig konden verhogen, zouden we dat wel doen”, zegt hij in hetzelfde interview. In een reactie betoogde publicist Paul Hekkens maandag op het rechtse blog The Post Online dat intelligentieverschillen een genetische oorzaak kunnen hebben.

Dat is een deftige manier om te zeggen dat zwarte mensen van nature dommer zijn dan witte. Of dat westerlingen nu eenmaal slimmer zijn dan Afrikanen.

Dit artikel gaat over de stelling dat intelligentieverschillen tussen bevolkingsgroepen een genetische oorzaak hebben. Wat klopt er nu van het idee dat er een verband bestaat tussen intelligentie en kleur, afkomst of ‘ras’? Wat is er nu wel en niet ‘wetenschappelijk bewezen’?

Allereerst dit: als je IQ-testen afneemt bij verschillende bevolkingsgroepen kun je verschillen vinden. Zulke verschillen zijn ook in wetenschappelijke publicaties beschreven. In een onderzoek van tien jaar geleden werd tussen zwarte en blanke inwoners van de Verenigde Staten een gemiddeld IQ-verschil van 10 punten gevonden (Psychological Science, 2006). En uit een meta-analyse van intelligentie-testen die zijn afgenomen bij Afrikanen ten zuiden van de Sahara, kwam een gemiddeld IQ van 81 (Intelligence, 2010).

De toepasbaarheid van IQ-testen in niet-westerse culturen wordt betwist. Maar laat ons hier nu het bestaan van die gemeten verschillen in IQ voor lief nemen. De cruciale vraag is dan: wat betekenen die?

Experts laten daar geen misverstand over bestaan: er zijn geen aanwijzingen dat deze verschillen een genetische oorzaak hebben.

„Suggereren dat IQ-verschillen onveranderlijk of aangeboren zijn is racistisch en doet geen recht aan de feiten”, zegt Eric Turkheimer, hoogleraar psychologie aan de University of Virginia. Hij doet al decennia onderzoek naar de invloed van genen en omgeving op intelligentie.

„Wat mij betreft is dit een non-issue”, zegt ook Danielle Posthuma, hoogleraar statistische genetica aan de VU in Amsterdam. „Mensen die geloven dat IQ-verschillen tussen rassen bestaan en genetisch bepaald zijn baseren zich op drogredenen en verkeerde conclusies.”

En dan nog: „Dat intelligentie erfelijk is, betekent niet dat het biologisch bepaald moet zijn. Dat is volslagen onzin”, zo zegt Philipp Koellinger, hoogleraar geno-economie aan de VU. Posthuma en Koellinger hebben meegewerkt aan grote studies waarin gezocht werd naar genvarianten die intelligentie beïnvloeden.

Foto iStock

Aanhangers van het idee dat er een verband bestaat tussen ras en intelligentie redeneren als volgt. Intelligentie is meetbaar. Verschillen in intelligentie zijn (deels) erfelijk. Bevolkingsgroepen scoren verschillend in gemiddelde intelligentie. Ergo, verschillen in intelligentie moeten (deels) een genetische oorzaak hebben. Onder deze redenering liggen vier grote misverstanden.

Misverstand: intelligentie is biologisch bepaald

Genetici hebben vastgesteld dat intelligentie voor een deel erfelijk is. Dat betekent niet wat de meeste mensen dénken dat het betekent. De precieze definitie van erfelijkheid is de mate waarin verschillen tussen personen in een bepaalde populatie verklaard kunnen door worden door genen.

Als de erfelijkheid van intelligentie 40 procent is, betekent dat níet dat je veertig procent van je IQ aan je genen te danken hebt. Het betekent dat 40 procent van de intelligentieverschillen tussen personen aan genetische verschillen zijn toe te schrijven en 60 procent aan verschillen in de omgeving.

De erfelijkheid van een bepaalde eigenschap verschilt daarom per land, tijd en samenleving. De erfelijkheid van lichaamslengte bijvoorbeeld is in ontwikkelingslanden lager dan in westerse landen. Omgevingsfactoren, bijvoorbeeld of iemand ondervoed is geweest, kunnen daar beter verklaren waarom sommige mensen korter zijn dan andere. De relatieve invloed van genen is in het Westen veel groter.

Met intelligentie is iets vergelijkbaars aan de hand. Eric Turkheimer heeft laten zien dat in rijke Amerikaanse gezinnen de erfelijkheid van intelligentie hoger is dan in arme (Psychological Science, 2003). Bij de laagste sociale klassen was de invloed van genen zelfs bijna nul.

Turkheimer interpreteert deze uitkomst als een signaal dat kinderen die aanleg hebben om goed te kunnen leren, niet tot bloei komen als ze niet de juiste kansen krijgen. Anders gezegd: het maakt voor je IQ niet uit dat je ‘goede genen’ hebt als je in een achterbuurt opgroeit.

Bekijk ook deze uitlegvideo over erfelijkheid:

Achter de schijnbaar simpele ‘erfelijkheid’ gaat een complex samenspel tussen genen en omgeving schuil. „De omgeving is uiteindelijk wat we kunnen veranderen”, zegt Philipp Koellinger. „Bescherming van kinderen, veiligheid, opleiding, vooruitzicht op werk. Dat zijn zaken die een enorm verschil kunnen maken.”

Misverstand: IQ is af te lezen uit DNA

Genetici hebben hard gezocht, maar geen genen gevonden die sterk samenhangen met intelligentie. Er bestaat geen gen dat 2 IQ-punten meer of minder geeft, afhankelijk van de variant die je hebt.

Recentelijk hebben genetici meer inzicht in de genetica achter intelligentie gekregen met ‘polygenic scores’. Daarbij worden de kleine effecten van veel genen met elkaar vermenigvuldigd. Koellinger was betrokken bij een grote studie waarbij 74 genen zijn gevonden die samen 3,2 procent van de variatie in opleidingsniveau in een Europese populatie kunnen verklaren (Nature, 2016).

Danielle Posthuma benadrukt dat zo’n score alleen bruikbaar is binnen de bevolkingsgroep waarin het verband gevonden is. Je kunt de voorspelling niet loslaten op mensen met een andere genetische achtergrond. „Als een bepaalde genvariant niet voorkomt bij Afrikanen, kun je niet zomaar concluderen dat Afrikanen dommer zijn. Je zult opnieuw moeten zoeken naar genen die bij Afrikanen samenhangen met intelligentie.”

Genetici hebben hard gezocht, maar geen genen gevonden die duidelijk samenhangen met intelligentie

Ook Koellinger benadrukt dat de door hem gevonden scores alleen voorspellend zijn voor Europeanen. Want het kan raar lopen: „Een score die 20 procent van de variatie in lichaamslengte bij Europeanen verklaart, werkt in Afrikaanse populaties niet.”

En ook al kan een verzameling van genen een déél van de variatie in intelligentie in één populatie voorspellen, dan nog is er geen garantie dat deze genen daadwerkelijk een biologische rol spelen bij het ontstaan van verschillen in cognitie.

Turkheimer: „Stel je een wereld voor waarin alle roodharige kinderen mishandeld worden door hun klasgenoten en genegeerd worden door hun leraren. Door alles wat ze meemaken hebben deze kinderen een lager IQ. Uit genetisch onderzoek zal dan blijken dat genen voor rood haar voorspellend zijn voor een laag IQ. Maar dat heeft niets te maken met een biologisch intelligentieverschil.”

Misverstand: er bestaat zoiets als ras

Genetici hebben al lang afgerekend met de 19e-eeuwse, op huidskleur gebaseerde rassenindeling in ‘zwart’, ‘blank’, ‘geel’ en ‘rood’. Je kunt mensen niet indelen op basis van hun huidskleur, net zomin als je een eigenschap als lichaamslengte daarvoor kunt gebruiken. De genetische diversiteit bínnen Afrika is hoger dan in de rest van de wereld bij elkaar. Het heeft dus weinig zin te spreken van ‘zwarten’ of ‘Afrikanen’ als genetische populaties.

Genetisch onderscheidbare bevolkingsgroepen bestaan wel, net zoals families en stammen. Maar die bevolkingsgroepen zijn geen genetische eilanden op zichzelf. Genetisch populatie-onderzoek heeft keer op keer laten zien dat volken zich voortdurend verplaatsen en vermengen. Het is een illusie dat Afrikanen geïsoleerd van de rest van de wereld leven.

Afgelopen zomer bleek dat Ju|’Hoansi, een volk van jagers-verzamelaars uit zuidelijk Afrika, een bepaalde genvariant voor een lichte huidskleur dragen (Science, 2017). Genetici konden de oorsprong van die variant herleiden tot een migratie van veehoudende boeren 3.000 jaar geleden, vanuit het Midden-Oosten.

Als er genoeg vermenging plaatsvond om in een paar duizend jaar huidskleurgenen naar jagers-verzamelaars in het diepste zuiden van Afrika te brengen, dan moeten hypothetische intelligentiegenen zich even snel kunnen verspreiden.

De indeling in zwart en wit in de Verenigde Staten is een sociale constructie. Want veel mensen die zichzelf als zwart (of wit) beschouwen hebben zowel Europese als Afrikaanse voorouders. Het is moeilijk voorstelbaar dat genetische aanleg voor hoge intelligentie zich zou beperken tot ‘witte’ mensen

Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat zwarte Amerikanen met meer Europese afstamming slimmer zijn. In een adoptiestudie uit 1986 steeg het IQ van zowel zwarte als gemengde kinderen (met een blanke en een zwarte ouder) met 13 IQ-punten als ze geadopteerd werden door een witte familie.

Misverstand: IQ is statisch

Door te zeggen dat IQ-verschillen tussen bevolkingsgroepen aangeboren zijn, wekken politici de suggestie dat IQ onveranderlijk is. In werkelijkheid stijgt het gemiddelde IQ van de wereldbevolking al jaren. Ook onder zwarten. Ook onder Afrikanen.

Het fenomeen dat nieuwe generaties (gemeten in IQ) slimmer zijn dan de voorgaande heet het ‘Flynn-effect’, naar de onderzoeker James Flynn die in 1984 constateerde dat het gemiddelde IQ van Amerikanen tussen 1932 en 1978 was toegenomen met 14 punten.

Het Flynn-effect is keer op keer in verschillende landen gevonden. Ook in ontwikkelingslanden, zoals bij schoolkinderen op het Keniaanse platteland, is het Flynn-effect meetbaar (Psychological Science, 2003 zien) In een grote meta-analyse becijferden psychologen dat de wereldwijde stijging in IQ een snelheid heeft van 3 IQ-punten per decennium (Perspectives on Psychological Science, 2015).

De stijging van intelligentie hangt vermoedelijk samen met de economische en industriële ontwikkeling van landen. Beter onderwijs, betere gezondheidszorg, betere voeding en een trend naar kleinere gezinnen zijn bevorderlijk voor de gemiddelde intelligentie van inwoners. Aan de stijging zitten ook grenzen: het lijkt erop dat in sommige Scandinavische landen het gemiddelde IQ na decennia van groei een piek heeft bereikt.

De stijging in IQ in ontwikkelingslanden zet waarschijnlijk nog even door. De inhaalslag is nog in volle gang: volgens cijfers van de Wereldbank ging in 1970 nog maar 43,4 procent van de kinderen in Afrika bezuiden de Sahara naar de basisschool. In 2014 was dat al 77,9 procent.

Ook in de Verenigde Staten neemt het IQ-gat af. Tussen 1972 en 2002 zijn zwarte mensen 5 IQ-punten ingelopen op witte. Zolang bevolkingsgroepen hun achterstand inlopen (als die al bestaat), is het voorbarig om te concluderen dat verschillen een genetische oorzaak hebben.

Meegaan in een spelletje

De bovenstaande misverstanden zijn hardnekkig en complex. Het probleem is dat politici en opinie-makers sneller twijfel kunnen zaaien, dan de wetenschap antwoorden kan geven. „Voorstanders van een verband tussen ras en intelligentie zeggen: bewijs maar eens dat genetica niets met deze verschillen te maken heeft”, zegt Turkheimer. „Maar het is onmogelijk om te bewijzen dat iets er níet is. You can’t prove a negative.”

Moeten onderzoekers wel meegaan in dit spelletje?

Turkheimer bepleit voorzichtigheid. „Elke vorm van rassenonderzoek heeft onvermijdelijke raakvlakken met de verschrikkelijkste, ouderwetse racistische theorieën. Er komt een punt waar je gewoon moet zeggen, racisme is racisme.”

Posthuma oordeelt milder. „Het is niet aan mij om te zeggen dat je iets niet mag onderzoeken”, zegt Posthuma. „Maar verdiep je dan wel in de wetenschap en wees niet blind voor uitleg.”

Wat dat betreft is het verdacht dat de discussie zich zo toespitst op ras en intelligentie, een racistisch vooroordeel dat al zo oud is als de transatlantische slavernij. „Nooit vraagt iemand zich af of verschillen in lichaamslengte tussen bevokingsgroepen een genetische oorzaak hebben”, zegt Danielle Posthuma. Dat is ook Turkheimer opgevallen. „Niemand komt op het idee om te onderzoeken of de gierigheid van joden aangeboren is. En ik mag dat zeggen, want ik ben joods.”

Correctie (14:15 / 10 februari 2017): In een eerdere versie van dit stuk stonden de 2e en 3e alinea andersom. De opmerking ‘Dat is een deftige manier…’ sloeg op het bredere debat over ras en iq, niet op Ramataursings uitspraak. Hierboven is dat aangepast.

    • Lucas Brouwers