Geen huis, geen man, geen vaste baan? Dan ook geen kind!

Demografie

In Nederland worden steeds minder kinderen geboren. Vooral doordat vrouwen hun eerste kind gemiddeld steeds later krijgen. Waarom?

Geboortebord. Foto HH/ Tom van Limpt

In haar boek iGen beschrijft de Amerikaanse psycholoog Jean Twenge hoe de kinderen en jongeren van nu door hun smartphone vaker op sociale media zijn dan onder echte mensen. Het boek staat al ruim een half jaar in de bestseller-lijsten in de VS, maar wordt ook bekritiseerd – om de apocalyptische toon (iedereen straks eenzaam!), het breed uitmeten van stoornissen (depressies, angsten) én de eenzijdigheid bij de selectie van de geïnterviewde kinderen.

Toch kan deze door Twenge gesignaleerde trend wel degelijk een verklaring zijn voor het feit dat de leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen weer stijgt, zegt demograaf Tomas Sobotka van het Oostenrijkse Wittgenstein Centre for Demography and Global Human Capital. „Uit onderzoek weten we dat jongeren later en minder vaak seks lijken te hebben en minder leeftijdgenoten ontmoeten; de kans dat je zwanger raakt of een levenspartner ontmoet is daardoor kleiner. Of dat allemaal komt door de iPhone die in 2007 uitkwam, is lastig te zeggen. In 2008 begon de financiële crisis, en een dergelijke economische neergang zet ook een rem op de geboorte van kinderen.”

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakte vorige week bekend dat de total fertility rate (zie inzet) in 2017 is uitgekomen op 1,61 kind per vrouw. Dat is lager dan in 2015 en 2016 (1,66) en nog lager dan in 2010 (1,8). Dat lijken kleine verschillen, maar zouden in 2016 naar verhouding evenveel kinderen zijn geboren als in 2010, dan was het aantal geboortes in 2016 niet 173.000 maar 184.000 geweest. De leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen is toegenomen van 29,4 jaar in 2015 en 2016 tot 29,8 jaar in 2017.

Daling zet door

De jongste cijfers laten zien dat de decennialange daling van het aantal geboorten, die rond de eeuwwisseling werd onderbroken door een stabilisering en zelfs een lichte stijging, nu weer doorzet.

„Dat komt doordat in Europa het aantal geboorten afneemt onder vrouwen van jonger dan 25 jaar”, zegt Sobotka. Dat hangt volgens hem samen met de verdere verspreiding van anticonceptiemiddelen en morningafterpillen, zoals in het ooit conservatieve Spanje: „Van een collega-hoogleraar in Barcelona hoorde ik dat daar elke maandagochtend vrouwelijke studenten in de rij staan bij de universiteitsapotheek voor een morningafterpil.”

Daar komt bij dat vrouwen met een migratie-achtergrond de daling lange tijd remden, doordat zij – jong – relatief veel kinderen kregen. „Maar ook deze vrouwen krijgen nu in Europa minder kinderen, en op latere leeftijd”, zegt Sobotka. Ook al liggen in Nederland de geboortecijfers onder vrouwen met Turkse, Marokkaanse of Surinaamse wortels nog iets hoger dan gemiddeld, de keuzes die deze vrouwen maken over zwanger worden zijn niet wezenlijk anders (meer) dan die van de andere vrouwen in Europa.

Wat bepaalt de beslissingen van vrouwen over het stichten van een gezin? Vrouwen willen in elk geval voldoende tijd, geld en stabiliteit hebben om goed voor hun kinderen te kunnen zorgen. Dat leert een kristalhelder CBS-rapport, dat onlangs verscheen. Vruchtbaarheid aan het begin van de 21e eeuw schetst ruwweg vier trends, waardoor vrouwen het krijgen van kinderen uitstellen.

Vrouwen studeren steeds meer

De daling van het aantal geboorten is in de jaren tachtig van de vorige eeuw ingezet, toen vrouwen massaal gingen studeren aan universiteit en hbo. Het aantal studerende vrouwen blijft toenemen en dat verklaart nog altijd voor circa de helft de gestegen leeftijd bij de eerste geboorte. „Vrouwen die studeren hebben geen tijd voor kinderen”, zegt demograaf Gijs Beets, gepensioneerd onderzoeker bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). „Daar komt bij dat vrouwen die hebben gestudeerd doorgaans ambitieus zijn. Ze willen natuurlijk hun carrière opbouwen en dat kost ook tijd.” De arbeidsmarkt waarop ze hun loopbaan bouwen is daarbij onzekerder geworden. Want:

De arbeidsmarkt wordt flexibeler

De zekerheid van een vaste baan wordt ondergraven door de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Had in 2006 nog 30 procent van de werknemers een flexibel arbeidscontract, inmiddels is dat bijna de helft. Twintigers hadden in 2013 drie jaar later een vaste baan dan twintigers in 2003. „Hoogopgeleide vrouwen die een tijdelijk contract hebben of werkzaam zijn als ZZP’er beginnen gemiddeld minder snel aan kinderen dan vrouwen met een vast contract”, zegt Jan Latten, hoofddemograaf bij het CBS en bijzonder hoogleraar sociale demografie aan de Universiteit van Amsterdam. „Het lijkt erop dat ze niet willen riskeren een vast contract mis te lopen door hun zwangerschap. Bij laagopgeleide vrouwen speelt dit minder, en bij vrouwen zonder baan evenmin.” Voor hoogopgeleide mannen maakt een flexcontract volgens hem minder uit. „Zij hoeven geen kind te baren, ze raken niet voor enkele maanden uit het arbeidsproces.”

De woningmarkt is oververhit

Kinderlozen die zeggen er klaar voor te zijn om aan kinderen te beginnen hebben in 12 procent van de gevallen geen geschikte woning en denken die ook niet binnen drie jaar te kunnen bemachtigen, blijkt uit het CBS-rapport ‘Twee kinderen maar wanneer en met wie!’ (2015) . „Vrouwen willen graag een geschikte woning om kinderen groot te brengen”, zegt Beets, „maar die zijn moeilijk te krijgen voor starters op de woningmarkt” Dat komt door de stijging van de huizenprijzen, de strengere normen voor het krijgen van een hypotheeklening en het tekort van honderdduizenden huur- en koopwoningen in het ‘middensegment’. Latten: „Om een nestje te bouwen wil je toch het liefst een eigen nest. Privacy. Maar vooral in de sociale huur zien we nog altijd eindeloze wachtlijsten. Dan maakt het niet uit hoe verliefd je op elkaar bent, die lijst blijft even lang.”

Vrouw en man kritischer bij kiezen partner

De hedendaagse twintigers hebben een langere jeugdfase dan die van vroeger, zegt Latten: „Twintigers van nu willen vaak nog geen vastigheid.” Ze leggen zich bij het aangaan van relaties niet meteen voor hun hele leven vast. „Het is niet ongebruikelijk dat ze een paar jaar samenwonen, dan ontdekken dat die persoon het toch niet helemaal is en ermee stoppen”, zegt Beets. „Vaak duurt het dan nog even voor een vrouw een nieuwe, wel geschikte partner heeft gevonden.” Ook dat leidt tot uitstel. Latten: „30 is het nieuwe 24 als het om moederschap gaat.”

Mannen zijn gemiddeld drie jaar later toe aan het krijgen van kinderen dan vrouwen, blijkt uit het rapport Twee kinderen maar wanneer en met wie!. Latten: „Je ziet dat veel vrouwen met een kinderwens dan ook voor een man kiezen die ouder is dan zijzelf. Maar naarmate ze ouder worden, hebben die vrouwen steeds meer concurrentie van jongere aanwas. Hun voordeel is wel dat ze zich maatschappelijk al meer hebben bewezen. Dus dan wordt het de vraag hoe traditioneel de man is ingesteld: kiest hij voor jong, of kiest hij voor succesvol?”

Mocht de juiste man zich niet aandienen, dan hoeft dat natuurlijk niet per se het einde van de kinderwens te betekenen, benadrukt Latten. „Zo kiezen steeds meer mensen voor co-ouderschap zonder liefdespartners te zijn of te zijn geweest.”

Medische technologie

Uitstel hoeft dus niet te leiden tot afstel, want veel vrouwen stichten later alsnog een gezin. Maar de kans dat het dan nog lukt is wel kleiner, doordat de vruchtbaarheid bij vrouw en man na hun dertigste afneemt. „Helaas denken mensen dat de medische technologie hun wel zal helpen”, zegt Beets: „Dat komt door succesvolle verhalen in de media over vrouwen van 64 of mannen van 72 die nog kinderen krijgen. In werkelijkheid zijn mislukkingen bij IVF gangbaarder dan successen. Dat realiseren mensen zich te weinig.” Latten voegt eraan toe: „Op latere leeftijd beginnen maakt ook de kans groter dat de ouders het bij één kind houden, terwijl ze anders misschien nog een tweede en zelfs derde hadden gewild.”

Een overheid die het geluk van zijn bevolking wil bevorderen helpt vrouwen met het realiseren van hun kinderwens, zeggen demografen. Maar hoe? „Om te beginnen: door te zorgen dat het eigen beleid niet voor onzekerheid zorgt”, zegt Beets. „Dus niet het ene jaar kinderopvang subsidiëren en dan een jaar later die subsidie weer grotendeels afschaffen.”

Verder zou er volgens Beets een soort ‘cafetaria-systeem’ moeten komen waarbij jonge vrouwen voorzieningen-op-maat kunnen kiezen. „Denk aan een gegarandeerde plek op een goede basisschool in de buurt of doorbetaling van salaris als de ouders minder gaan werken.” Dat geld zou dan later terugbetaald kunnen worden, zoals bij een studiebeurs. „Dan voorkom je dat er uiteindelijk minder kinderen worden geboren dan vrouwen hadden gewild.”

    • Gemma Venhuizen
    • Karel Berkhout