De carnavalsoptocht in het Limburgse dorp Jabeek, dit jaar twee weken eerder dan anders.

Roos Pierson

Elk jaar kan het afgelopen zijn

Dorpscarnaval

Het Limburgse dorp Jabeek vierde het carnaval twee weken eerder dan de rest. Anders komen er te weinig mensen. ‘Het carnaval op de dorpen dreigt dood te bloeden.’

Een groep artsen loopt door de straten van Jabeek en stapt af op de mensen langs de kant. Die moeten „aaa” zeggen en worden getemperatuurd. De dokters – sommigen met, anderen zonder mondkapje – kijken zorgelijk, schrijven een receptje uit („3x daags alaaf”) en prikken een speelgoedspuitje in de armen van hun ‘patiënten’. Hun leus: „Vier gaeve de carnaval va Joabik ’n injectie” (Wij geven het carnaval van Jabeek een injectie).

Veertien groepen en ‘Eizelgängers’ doen mee aan de optocht van Jabeek (305 huizen, ongeveer 750 inwoners): van een reeks wandelende Emoticons tot een Grab-’m-by-the-pussy-Trump. Een muziekgezelschap blaast hoempa en prinses Bente-Aimée en haar Raad van Elf strooien snoep en koek vanaf de prinsenwagen. Het weer werkt mee: Het is acht graden en aan de strakblauwe lucht staat slechts een enkel wolkje.

De carnavalsvereniging van Jabeek, een dorpje ten oosten van Sittard, tegen de Duitse grens, nam het opmerkelijke besluit de optocht dit jaar al twee weken vóór carnaval te houden. Vorig jaar viel de opkomst bij de optocht tegen en was de zaal bij het feest al snel voor driekwart leeg. Volgens Pascal Pluijmaekers, bestuurslid van carnavalsvereniging De Appelkitsjkes, kwam dat door het grote aantal gelijktijdige carnavalsfeesten in de omgeving. „Mensen gingen carnaval elders vieren. Of naar huis om wat te eten. Die hadden dan al een paar dagen elders gefeest.”

Zo’n lage opkomst brengt het carnaval in Jabeek aan de rand van de afgrond, zegt hij. „De drankomzet is voor onze vereniging belangrijk. Met alleen de jaarlijkse loterij (de hoofdprijs is een fiets; vroeger een vetgemest varken) en de paar advertenties in ons carnavalsblaadje redden we het niet. En ook al gaan wij naar de optochten in de buurdorpen, als de optocht hier niets meer voorstelt zouden de carnavalsverenigingen uit die dorpen ook weleens kunnen wegblijven.”

Vandaar het drastische besluit om het dorpscarnaval te verzetten. Het zoeken naar een gaatje op de goed gevulde carnavalsagenda leverde zaterdag 27 januari op. Aanvang optocht: elf voor vier ’s in plaats van elf over twee, zoals anders. „Iets later, in de hoop dat de mensen dan ook nog een deel van de avond blijven hangen.”

Het is een gok, geeft Pluijmaekers vooraf toe. Een tegenvallende opbrengst kan het einde van de traditie betekenen. „Het is elk jaar weer hopen dat je het financieel redt.”

Roos Pierson

Zedelijk verval

De traditie van het georganiseerde carnaval is niet overal in Limburg en Noord-Brabant eeuwenoud, zegt Rob van de Laar, voorzitter van de Brabantse Carnavals Federatie en voorheen jarenlang minister-president van de carnavalsvereniging van Oeteldonk (Den Bosch). „In veel wijken en dorpen dateert het van na de Tweede Wereldoorlog. Er was ook in die tijd al een trek naar de feestelijkheden in de steden, wat de rooms-katholieke geestelijkheid deed vrezen voor zedelijk verval. Als het dan toch gevierd moest worden, dan liever dicht bij huis, zodat pastoor en kapelaans toezicht konden houden.”

In Jabeek begon het carnaval in de tweede helft van de jaren vijftig te leven. Een paar jaar werd er een volwassen prins uitgeroepen. Daarna beperkten de activiteiten zich tot een verklede voetbalwedstrijd en een zaate hermenie (dweilorkest) die een rondgang door het dorp maakte. „De instrumenten leenden we van de fanfare”, vertelt Ben Hendriks (80). „Ik speelde de bombardon. Na afloop kregen we altijd klachten. Dan zat er bier in de instrumenten.”

In 1966 werd besloten het carnaval wat groter op te zetten, maar dan voor de jeugd. Hendriks: „Het uitroepen van een volwassen prins durfden we niet meer aan wegens een strijd tussen de twee Jabeekse muziekgezelschappen, de koninklijke fanfare St. Caecilia en fluit- en tamboerkorps St. Gertrudis. Deed je het voor de kinderen, dan kwamen de volwassenen toch wel mee, zonder gedoe over wie de volwassen prins werd en bij welk gezelschap die hoorde.” De naam van de dat jaar opgerichte carnavalsvereniging, vertaald als klokhuis van een appel, verwijst naar de fruitteelt in en rond Jabeek.

Roos Pierson
Roos Pierson 27-01-2018 Jabeek Carnavalsoptocht
Roos Pierson 27-01-2018 Jabeek Carnavalsoptocht

Hendriks heeft een ijzeren kist van zolder gehaald vol Jabeeks carnavalsverleden. Elk jaar gaf de burgemeester van de tot de herindeling van 1982 kleinste gemeente van Nederland weer een vergunning af voor de optocht. Elk jaar weer in andere bewoordingen en op een andersoortig, minuscuul papiertje.

Uit dezelfde kist komen de jaarlijkse edities van het carnavals-kezitje (krantje), de Appelkietsj, door Hendriks na zijn werk bij de PTT getikt, getekend en gestencild. Zelfs de advertenties ontwierp hij: een getypte slogan en met Oost-Indische inkt getekende blokletters voor de bedrijfsnaam. ‘Alaaf! Alaaf! Gaat u uit met deze gekke dolle dagen. Zorg voor veel plezier maar met volle magen. Want de lekkerste frites en de beste waren krijgt u bij Friture Nelly.’ Er waren toen nog meer middenstanders dan nu in Jabeek en de naburige plaatsen. Café-bar-kegelbaan ’t Centrum bestaat al jaren niet meer, ondanks de veelbelovende reclameleus van toen (‘Bekend in heel Europa’).

Een aantal weken voor carnaval was er ook nog een Bonte Avond, waarbij voor weinig geld een bandparodist, een muzikant met een trekzak, een buutreedner (een tonprater) en wat dansmariekes konden worden geregeld. Dit jaar hielden de Appelkitsjkes hun Bonte Middag al op 14 januari. Dat was het moment dat de 11-jarige Bente-Aimée Bemelmans tot prinses werd uitgeroepen.

Lees ook: Theo Fransen schreef Hét Carnavalsboek, een naslagwerk over “het feest der feesten”.

Commercieel circus

Het carnavalseizoen is een aaneenschakeling van allerhande grote evenementen geworden, zegt Sander Matheijssen, een van de twee auteurs van Hét carnavalsboek. Van lentefeest tot festival en zelf mede-oprichter van een carnavalsvereniging in Venlo. „De mensen willen daarbij graag de bekende Limburgse carnavalsartiesten zien en horen. Die zijn mede groot geworden door de regionale omroep L1.” L1 zendt ook het jaarlijkse LVK (Limburgs Vastelaovesleedjes Konkoer) live uit. „Eén groot commercieel circus is dat geworden. Sommige acts doen niet eens meer mee met de plaatselijke liedjesconcoursen.”

De belangen zijn groot. „Je kunt naam maken. Bekende artiesten vragen tot achthonderd à duizend euro voor een optreden van een half uur. Een deel van hen is gestopt met hun reguliere werk. Die verdienen genoeg tijdens het carnavalsseizoen.”

Op carnavalsmiddagen en -avonden in Sweikhuizen, Munstergeleen en Schinveld, plaatsen rond Jabeek, staan artiesten van naam. „Wij kunnen ons die niet veroorloven”, zegt zegt Pluijmaekers. „Ons carnaval kost jaarlijks zo’n vijftienhonderd à tweeduizend euro. En dan moet je geen gekke dingen doen.”

Roos Pierson

De grote evenementen in de steden trekken „als een magneet”, zegt Matheijssen. De Boètegewoeëne Boètezitting (buitengewone buitenzitting) op carnavalszaterdag is ooit met driehonderd man op de Grote Markt in Venlo begonnen. „Nu wordt het provinciebreed uitgezonden, rijden er speciale treinen, staan er zeven of acht podia en lopen er 25.000 tot 30.000 verklede mensen rond.” Dichter bij Jabeek trekt ’t Kanón van ’t Balkon in Sittard, met ook een keur aan carnavalsartiesten, op dezelfde carnavalszaterdag veel publiek.

Volgens Matheijssen leidt het overvloedige feestaanbod hier en daar tot een zekere carnavalsmoeheid. „Sommige mensen zijn er al een beetje klaar mee voor het echte feest begint. Die gaan dan bijvoorbeeld op wintersport.” En dan zijn er nog alle andere evenementen die het carnaval beconcurreren. „Vroeger hadden de mensen in Limburg schutterij, kermis en carnaval. Nu is er elke week wel ergens iets te doen: de Oktoberfeesten rukken op, je hebt Color Runs, Halloween waait over uit Amerika en rond een EK of WK gaan mensen ook verkleed. Het is eigenlijk alle dagen feest.”

Roos Pierson

‘Wij zijn geen Volendam’

Dertiger Matheijssen heeft niet de illusie dat hij de trends kan keren. „Als mensen een ander carnaval willen, laten ze zich niet tegenhouden. Dat neemt niet weg dat je aandacht kunt geven aan de dreigende teloorgang van de festiviteiten in dorpen en wijken. Dan kan niemand straks zeggen: Hoe kan het, dat het is verdwenen?”

Het kleinschalige carnaval is „een heel mooi gemeenschapsfeest, waar je lief en leed met elkaar deelt”, meent Van de Laar. „Aan de ene kant van de bar staat iemand gruwelijk te lachen van plezier. Aan de andere kant van de bar staat iemand heel hard te huilen, omdat zijn vader net is overleden. Dat wordt allemaal gedeeld met lokale vrienden en kennissen. Dat cement voor de samenleving betaalt zich de rest van het jaar uit. Het is ook belangrijk in een tijd van internationalisering. De grote zaken kun je aan als je lekker in je vel zit, als je basis goed is.”

Van de Laar is niet somber over de toekomst van het carnaval. „Het heeft altijd ups-and-downs gekend. Met lenterituelen of religie (wie vast er nog?) heeft het niet of nauwelijks meer te maken. Het feest past zich aan, verandert met de samenleving. Dat is goed. Ik ben tegen het koste wat kost in stand houden van tradities.”

Verschillende carnavalstradities zijn de afgelopen jaren als ‘immaterieel erfgoed’ op de Werelderfgoedlijst van Unesco terechtgekomen. Dat vindt Van de Laar niet de juiste weg. „Het leidt tot de fossilisatie van carnaval. Het moet geen museum worden. Wij zijn geen Volendam. We verkleden ons niet voor de toeristen. We verkleden ons voor en met elkaar.”

Roos Pierson

Buurdorp Bingelrade

Een goed uur doet de Jabeekse optocht zaterdag 27 januari over de rondgang door het dorp. De witte jassen met injecties voor het zieltogende carnaval van Jabeek zijn de bijdrage van de carnavalsvereniging van buurdorp Bingelrade. Die het probleem overigens goed begrijpt: „Ook in Bingelrade hebben we last van concurrentie van andere carnavalsevenementen”, zegt Marc Goffin. „We hebben het geluk dat onze carnavalsvereniging iets groter is dan die van Jabeek. Bij ons trekt de optocht nog gewoon met carnaval door het dorp.”

Zijn vrouw Yolanda Goffin heeft wel zorgen: „Het carnaval op de dorpen dreigt dood te bloeden. Een steeds groter deel van het leven van de bewoners speelt zich buiten hun eigen woonplaats af. Het automatisme om lid te worden van een vereniging is weg. Mensen zijn individualistischer geworden.”

Na de optocht stroomt het ontmoetingscentrum van Jabeek vol voor het feest. Carnavalsveteraan Ben Hendriks, vooraf vol twijfel over de vervroegde datum, komt voldaan achter de tafel voor de bonnenverkoop vandaan. Er is goed ingekocht. „Iemand bestelde zelfs vijftig bonnen. Waarschijnlijk voor een hele groep tegelijk.” Die avond is hij tegen elven onder de laatsten die huiswaarts keren. „Het was een mooi feest.”

Pluijmaekers van de Appelkitsjkes – in een T-shirt met de tekst ‘Ik drink niet meer maar ook niet minder’ moet met de rest van het vijfkoppige bestuur nog financieel evalueren. „Maar het ziet er niet naar uit dat dit het laatste carnaval in Jabeek was. En zo hoort het. Ons soort feest moet blijven. Carnaval betekent jezelf vermaken, niet je laten vermaken.”

Correctie: In een eerdere versie van dit artikel werd ‘Appelkistjes’ als vertaling van de naam gegeven van de carnavalsvereniging De Appelkitsjkes. Een ‘appelkitsj’ is echter het klokhuis van een appel.