Wouter van Vooren

‘Dit is een trauma. Snap je dat? Ik verwerk een trauma’

Oscar van den Boogaard
In Kindsoldaat schetst Oscar van den Boogaard een familiegeschiedenis. Deels feit, deels fictie. Maar dit is echt waar, zegt hij: hij is een zoon van prins Bernhard. ‘Het probleem was niet dat ik een geheim had, maar dat ik het geheim wás.’

‘Wil jij het vuur aanmaken’, vroeg Elsie.

De prins ging op zijn knieën voor de haard zitten en maakte wat proppen van kranten.

‘Dat zijn mijn vrouw en ik op wintersport’, zei hij terwijl hij een krant voor Elsie ophield. Met een lach maakte hij er een prop van.

Hij legde er wat aanmaakhoutjes bovenop en stak het vuur aan. Het koninklijk paar verschrompelde eerst en vatte toen vlam. De prins legde er een paar houtblokken op.

‘Het is hier net ons noodonderkomentje in de bergen’, zei Elsie en vlijde zich tegen hem aan.

Fragment uit Kindsoldaat

Eigenlijk had Oscar van den Boogaard (53) nooit willen schrijven over zijn afkomst. Hij werkte aan een boek over zijn jaren als artistiek directeur van een internationaal kunstinstituut in Gent, waar hij in de zomer van 2016 vertrok na een vertrouwensbreuk.

Op zijn kantoor in Gent stond een hutkoffer die hij na de dood van zijn vader, in 2013, gekregen had. Toen hij die koffer op de nacht van zijn vertrek de trappen van het instituut had afgezeuld, besloot hij erin te kijken. Daarmee opende Van den Boogaard zijn jeugd; kindertekeningen, schoolschriftjes. En casettebandjes waarop hij als jongetje te horen was, uit de tijd dat het gezin in Suriname woonde. „Ik hoorde een stemmetje uit een kosmisch verleden. En toen kwam er iets in beweging.” De roman Kindsoldaat omvat bijna een eeuw familiegeschiedenis, in losse herinneringen en flarden van verhalen. Losjes gebaseerd op feiten, maar vooral deinend op de hartenklop van de verbeelding. Naarmate het verhaal naar het heden opschuift – vanaf de jaren vijftig – bevat de roman meer elementen die volgens de auteur echt waar zijn. Waaronder die waarmee het boek het meest in het oog springt: hij, Oscar van den Boogaard, als een zoon van prins Bernard.

Dit is hoe hij het vertelt. Zijn moeder – in de roman heet ze Elsie – kwam halverwege de jaren vijftig in contact met de Koninklijke familie. Ze was privé-secretaresse van de burgemeester van Utrecht, wiens vrouw hofdame was van Koningin Juliana. „Zij vond dat mijn moeder ook maar eens kennis moest maken met Juliana”, vertelt Van den Boogaard. „Op een dag zijn ze in een Dafje naar Soestdijk gereden. Ze viel meteen in de smaak. Mijn moeder kwam er sindsdien vaker, en uiteindelijk nodigde Juliana haar uit om met de familie mee te gaan op skivakantie.”

Ik hoorde een stemmetje uit een kosmisch verleden.

De vader van het gezin Van den Boogaard was op zijn beurt al een bekende van prins Bernhard. Hij was tijdens de oorlog in Schotland opgeleid tot paracommando en naar Indië gezonden om te vechten. Terug in Nederland werkte hij bij de staf van Bernhard. „De prins had een enorme fascinatie en een groot ontzag voor paracommando’s als mijn vader, die in de oorlog hun mannetje hadden gestaan.”

Dat ontzag was wederzijds. In het kabinetje van zijn moeder stonden allerlei lijstjes met foto’s van Bernhard. „Elke zondag probeerde mijn vader mijn moeder te plezieren door het zilver van die lijstjes te poetsen. Dat is een onvergetelijk beeld: de man die de fotolijstjes van de prins zat te poetsen.”

Maar de twee hadden een slecht huwelijk. Oscar moet een jaar of dertien of veertien zijn geweest toen zijn ouders scheidden. Zijn vader vertrok naar Suriname.

Geheime zoon

Kort daarna werd zijn moeder uitgenodigd voor een huisconcert op een kasteel, vertelt hij. „Voor mijn moeder was dat een enorm uitje. Ik voelde hoe ze opleefde. Het ging in die tijd heel slecht met haar; ze dronk altijd al veel, maar het ongelukkige huwelijk maakte het nog erger. Ze kwam bijna de deur niet uit.” Maar nu was er dus opeens die uitnodiging. En ze nam haar zoon mee. „Ze had een lang zwart shirt van de Hema aangetrokken, met gouddraad erin, want haar avondjurken waren uit de tijd. Ze zei: ‘Ach, het is maar wat voor gezicht je erbij trekt.’ Ik was een onzekere puber en wist niet waar ik kijken moest van ongemakkelijkheid.”

Hij zegt zich te herinneren dat ze die dag „werd binnengehaald als een verloren dochter”. En toen, zo vertelt hij, kwam prins Bernhard binnen. „Ze liepen recht op elkaar af. Ze omhelsden elkaar. Ik keek ernaar en voelde: het is net alsof iets zich nu herstelt.”

„Bernhard keek me over haar schouder aan met zoveel fascinatie. En toen kwam hij op me af. Hij vroeg hoe het met Bernhard de Beer ging, de beer die ik bij mijn geboorte van hem heb gekregen. En hij wist dat ik in Suriname tochtjes maakte op mijn reuzenschildpadden. Het bleek dat hij mijn leven op afstand had gevolgd. Ondertussen voelde ik de hand van een vriendin van mijn moeder op mijn schouder, die in mijn oor zei: ‘Oscar, jij weet ook niets van jezelf, hè?’ Ik begreep echt niet wat ze bedoelde.”

Oscar, jij weet ook niets van jezelf, hè?

Op de terugweg was zijn moeder totaal overstuur. „Ze was nauwelijks meer in staat om te rijden – overmand door emoties en door de drank – en zette de auto stil tussen een paar bomen. En toen vertelde ze het. ‘Oscar, Bernhard is jouw vader.’ Ze kon het gewoon niet langer voor zich houden. Maar ze zei ook dat het een heel groot geheim was dat ik nooit aan iemand mocht vertellen, want het zou ons gezin kapot maken.”

Volgens Van den Boogaard kregen zijn moeder en Bernhard halverwege de jaren vijftig een verhouding. „Daarna is ze door de entourage van de prins aan mijn vader gekoppeld, die toen voor Bernhard werkte. Ze zijn getrouwd en hebben samen twee dochters gekregen. Tijdens het huwelijk hebben mijn moeder en de prins elkaar toch nog af en toe gezien. En tijdens een van die ontmoetingen ben ik verwekt. Toen bleek dat mijn moeder in verwachting was, is mijn vader door hogerhand met zijn gezin naar Suriname gestuurd.”

Heeft uw vader er iets van geweten?

„Dat weet ik niet. Het zou best kunnen. Vanaf het moment dat ik het wist, heb ik een enorm conflict met mijn vader gevoeld. Vooral omdat hij zijn vaderrol nooit opeiste. Misschien schaamde hij zich tegenover mij voor wie hij was. Ik vond hem in elk geval laf, omdat hij nooit ingreep bij dat drinken van mijn moeder. In plaats daarvan bleef hij haar op een voetstuk plaatsen. Hij sprak zich nooit uit. Zijn motto was: van praten komt ruzie.”

„Mijn ouders scheidden toen ik een jaar of dertien was, waarna mijn vader vertrok naar Suriname. Na zijn vertrek woonde ik alleen met mijn moeder, die de hele dag dronk. Ze lag overdag voornamelijk in bed. ’s Avonds lag ze op haar buik op het hoogpolige tapijt voor de televisie. Met een zonnebril op. Voor zich een dienblad met daarop een fles calvados, een pot sterke koffie en een schaaltje bittere chocolade. Ze had niets gegeten, omdat ze te dronken was om te koken. Voor mij had ze iets klaargezet dat ik zelf moest afmaken. Ik probeerde haar ondertussen krampachtig gelukkig te maken door af en toe haar glas bij te schenken. Want ik begréép haar verdriet, haar pijn. Ik voelde waarom mijn moeder zo ongelukkig was: ze was afgesneden van haar grote liefde.”

Bernhard is jouw vader.

Het schrijven van Kindsoldaat noemt Van den Boogaard een verwerkingsproces. „Het probleem was niet zozeer dat ik een geheim had, maar dat ik het geheim wás. Ik voelde me bijna schuldig dat ik mijn verhaal vertelde. Alsof ik helemaal geen récht had om een geheime zoon te zijn. Daarom heb ik serieus overwogen om ‘prins Bernhard’ te veranderen in ‘een generaal’. Ik vroeg mijn redacteur waarom het ‘de prins’ zou moeten zijn. Maar zij had gelijk toen ze antwoordde: ‘Het moet omdat het de prins ís.’”

Lang vroeg hij zich af waarom Bernhard hem niet erkend had. Later redeneerde hij dat de prins hem niet kón erkennen, omdat hij een kind had gemaakt bij de vrouw van zijn held. „Dat is in strijd met elke militaire eer. Sterker nog; het is eigenlijk diep verraad. Mijn vader marcheerde zelfs ieder jaar voor hem op de commando-reünie en verdedigde hem tijdens de Lockheed-affaire. Ik heb de ontmoetingen tussen ‘Elsie’ en ‘PB’ in het boek daarom in het appartement van ‘Jim’, zoals ik het personage gebaseerd op mijn vader noem, laten spelen. Omdat dat voor mij de perversie van het verraad zo sterk verbeeldt.”

Tussen hem en zijn vader was iets gebroken, stelt Van den Boogaard bitter vast. „Ik verloor mijn ene vader, maar kreeg er de andere niet voor terug. Het was een afgrond onder een afgrond. Ik had nachtmerries en zag Bernhard aan mijn bed staan als ik schreeuwend wakker werd. Ik heb hem een paar keer ontmoet, als hij bij mijn moeder langskwam. In die tijd hadden ze al geen verhouding meer. Hij zei een keer tegen mij: ‘Wees goed voor je vader.’ Hij had ook een goede oplossing voor mijn innerlijke verscheurdheid, en de zijne. ‘Jouw vader is jouw vader, en ik ben jouw prins.’”

Ik vraag het u voor alle duidelijkheid nog eens: bent u werkelijk de zoon van prins Bernhard?

„Ja. Daarom heb ik dit boek geschreven.’

Hij is uw biologische vader?

„Ik heb nooit een DNA-test willen doen, maar er is geen enkele twijfel.”

Maar het is allemaal uitsluitend gebaseerd op wat uw moeder u vertelde.

„Ja. En op hoe de prins ermee is omgegaan.”

Dus hard bewijs is er niet.

„Hier moet ik het mee doen. En u ook. Maar ik weet heel zeker dat het zo is. Waarom zou ze iets verzonnen hebben wat ik aan niemand mocht vertellen? Zo’n verschrikkelijk ingewikkeld geheim dat voor een kind niet alleen te dragen is. Alles viel hierdoor ook op zijn plaats. Het verklaart waarom mijn moeder zo is geworden.”

Maar ze had Bernhard toch niet nodig om drankzuchtig en ongelukkig te worden?

„Zeker niet. Maar P.B. wás er ook op verschillende momenten in haar leven.”

Dat betekent nog niet dat hij ook uw vader was.

„Voor mij is dit het enige kloppende verhaal.”

Het is wel een verhaal met grote consequenties. U zegt dat u de halfbroer van Beatrix bent.

„Zeker. Maar ik ben natuurlijk niet de zoon van Juliana. Ik heb bovendien geen enkele behoefte om er juridisch welke consequentie dan ook aan te verbinden. Ik wil helemaal niks van ze en ben in geen enkel opzicht een vragende partij. Ik hoef helemaal niets van mijn zogenaamde halffamilie.”

Denkt u dat zij er iets van weten?

„Dat lijkt me niet onwaarschijnlijk. Maar het kenmerk van geheime relaties is natuurlijk wel dat ze geheim zijn. Het enige wat voor mij telt, is dat ik het product ben van echte passie tussen twee mensen. Twee mensen die lak aan alles hadden.”

Hoe keek u sinds die dag dat uw moeder dat verteld had naar prins Bernhard en de Koninklijke Familie?

„Wat er gebeurd is, is iets tussen mijn moeder, hem en mij. Daar hebben Beatrix en de anderen niets mee te maken. Jaren geleden heb ik ergens in een rij gestaan om Beatrix een hand te geven. Toen ik bijna aan de beurt was, ben ik weggelopen omdat ik het niet aankon. Ik wist: ik kan geen Majesteit zeggen.”

U hebt wel een roman geschreven over Beatrix, getiteld ‘Majesteit’.

„Ik werd in 2010 gebeld door een uitgeverij. Er zou dat najaar een film uitkomen over Beatrix, van regisseur Peter de Baan. Zij wilden op basis van het scenario van Ger Beukenkamp graag een boek en ze taxeerden dat ik affiniteit zou hebben met het onderwerp. Wat een schitterend toeval. En ik had toevallig de hele zomer tijd om het te maken. Ik heb het beschouwd als een prachtig literair experiment. Het was tegelijk ontzettend eng om het te schrijven, omdat ik het vanuit haar probeerde te vertellen. Puur verbeelding dus. Ik schreef het in mijn appartement in Berlijn. Iedere avond nadat ik geschreven had ging ik tot diep in de nacht uit om als een bezetene te drinken en te dansen. Echt een kwestie van de duivel uitdrijven.

De duivel uitdrijven door over zijn dochter te schrijven…

„De erkénde dochter. Als ik aan Beatrix denk, denk ik aan Juliana, maar vooral aan Bernhard die zijn gang ging.”

Lees ook: Juliana dreigde tot twee keer toe te scheiden van Bernhard.

De Beatrix uit dat boek is voor een groot deel het product van uw verbeelding. Is de Bernhard-figuur uit ‘Kindsoldaat’ niet óók het product van uw verbeelding?

„Deze vraag snap ik niet.”

Is het verhaal van uw moeder wél echt gebeurd?

Hij zwijgt abrupt, opeens met een verbeten, bijna boze trek om zijn mond. „Dit raakt me echt”, zegt hij. „Ik stel me opeens voor hoe iemand zich moet voelen die in zijn jeugd is misbruikt en niet wordt geloofd. Of een soldaat die terugkomt uit de oorlog. Want zó voel ik me. Dit is niet het gebied van een constructie, dit is het gebied van een trauma. Snap je dat? Ik verwerk een tráúma. Als je me dan vraagt ‘Is het wel echt zo?’, dan tref je me middenin mijn hart. Ik ga daar dus geen antwoord op geven. Voor mij is het onderwerp met dit boek en dit interview verder ook erledigt. Ik heb mijn verhaal verteld, in een roman van zeshonderd pagina’s. Ik wilde laten zien dat de gebeurtenissen in onze levens al generaties lang worden voorbereid. Eindelijk heb ik het geheim dat mijn hele leven heeft bepaald, geopenbaard. En mensen die meer bewijs willen, hebben pech gehad. Ik heb mijn DNA in een boek gestopt. Een vuistdik paspoort.”

Zijn moeder overleed in 1990. Tot haar laatste dagen is de relatie met de prins onderwerp van gesprek geweest tussen moeder en zoon. Een paar maanden voor haar dood, zegt hij, is er nog een ontmoeting tussen haar, de prins en Van den Boogaard geweest. Maar daar wil hij verder niets over zeggen.

Wat er gebeurd is, is iets tussen mijn moeder, hem en mij. Daar hebben Beatrix en de anderen niets mee te maken.

Het valt hem sowieso niet makkelijk om over het onderwerp te praten. „Realiseer je goed dat dit de eerste keer is dat ik er met een buitenstaander over praat. Ik heb het nooit aan iemand kunnen vertellen. Daardoor heb ik me jarenlang miskend gevoeld. Zelfs mijn zusjes wisten het niet.”

Hij heeft het ze pas onlangs verteld, met het oog op zijn boek. „Ik vond het moeilijker om het aan hen te vertellen dan om het boek te schrijven. Het ging in horten en stoten. Iedere keer een stukje. Ik hou zielsveel van mijn zusjes. Ze waren mijn enige baken in dat onthechte gezin. Dat ik hun ermee zou kwetsen was mijn grootste angst. Tot mijn grote opluchting reageerden ze heel lief. We waren alle drie erg geëmotioneerd.”

Waarom moest het eigenlijk geheim blijven? Dat was toch alleen maar belangrijk voor prins Bernhard?

„Nee, het was vooral om mijn vader te beschermen. Het zou de totale vernedering zijn geweest.

Hoe was het voor u toen prins Bernhard in december 2004 overleed?

„Ik was die dagen bij mijn vader. Hij moest huilen. En ik ook. Al huilde ik vooral om zijn tranen. Ik voelde zijn vernedering, waar ik het product van ben. Ik had geen recht om te bestaan. Ik begreep zijn pijn en van de weeromstuit hemelde ik hem voortaan nog meer op.

„Hij was dus naar Suriname gegaan toen ik in de puberteit was. Maar na de staatsgreep in 1980 belde hij op: ‘Ik kom weer naar huis.’ Mijn moeder riep: ‘Naar huis? Waar hééft hij het over? Dit is zijn huis helemaal niet meer.’ Uiteindelijk hebben we toch een kamer voor mijn vader en al zijn militaire trofeeën vrijgemaakt – de Herrenzimmer noemde mijn moeder die spottend – waar hij nog even mocht bivakkeren.

Ik stel me opeens voor hoe iemand zich moet voelen die in zijn jeugd is misbruikt en niet wordt geloofd.

„Na een paar weken zei mijn moeder tegen hem: ‘Je moet eens met Oscar naar Parijs gaan. Zulke dingen doet een vader met zijn zoon.’ Omdat hij geen auto meer had, kocht hij een tweedehands Renault Alpine. We reden bij de Arc de Triomphe toen we een aanrijding kregen. Dat was voor hem zó’n geestelijke dreun. Alle rampspoed kwam bij elkaar, en hij voelde zich al een waardeloze vader. Hij parkeerde de beschadigde auto en zei: ‘We gaan eerst naar de bioscoop samen.’ Tijdens de film voelde ik zijn verdriet. Hij was niet welkom thuis en de zoon naast hem kende hij niet.”

Moest u daarom met dit verhaal wachten tot hij dood zou zijn?

„Ik zou hem hiermee nooit hebben willen confronteren. Hij is in 2013 overleden. In dat jaar schreef ik een boek over een zoon die weigert naar de begrafenis van zijn vader te gaan. Blijkbaar zat er veel woede in me.”

Was het achteraf toch beter geweest als uw moeder het u nooit verteld zou hebben?

Verbaasd: „Oh nee! Ik ben juist heel blij, want ik zou niemand anders willen zijn dan wie ik ben. Ik ga zodadelijk naar buiten met het besef dat ik het grote geheim eindelijk met een buitenstaander gedeeld heb. Daar moet ik nog heel erg aan wennen.”

Bernhard erkende zijn vaderschap niet, maar u hebt nu uw zoonschap opgeëist?

„Zo is het precies. Ik erken hém. Ik kan nu eindelijk ophouden mijzelf in tweeën te splitsen.”

Kindsoldaat verschijnt komende week bij De Bezige Bij.

    • Coen Verbraak