‘Diegene die het meest kapot is mag uitslapen’

Spitsuur Erik-Jan Ginjaar (34) en Caroline Ginjaar-Pouw (32) ontmoetten elkaar tijdens hun werk bij Postillion Hotels, waar hij nu algemeen directeur is. „Het liefst eten we samen aan onze tafel, niet in een restaurant.”

Erik-Jan: „Ons drukke moment is tussen zes en half acht. Caatje ophalen van de opvang, Huub uitlaten en koken.” Caroline: „Als alles achter de rug is zitten we aan tafel uit te puffen.” Foto David Galjaard

Erik-Jan: „Ons eerste contact was via de telefoon, zo’n tien jaar geleden. We werkten allebei in hetzelfde hotel.”

Caroline: „Voor mij was het een studentenbaantje…”

Erik-Jan: „…en voor mij was het mijn eerste grote-mensen-baan. Ik was manager en moest Caroline opbellen om te vragen of ze kon komen werken. Er was gelijk zo’n klik aan de telefoon, een heel levendig gesprek, dat we een half uur aan de lijn hebben gehangen met elkaar.”

Caroline: „Het heeft nog wel een jaar geduurd voor we echt doorhadden dat de interesse wederzijds was. Maar in augustus 2013 zijn we getrouwd.”

Erik-Jan: „Een bruiloft kost klauwen met geld, maar ik zou het morgen weer uitgeven. Het was fantastisch. We zijn getrouwd in een oude kerk waar de geur van verschaald bier ons tegemoet kwam bij de bezichtiging.”

Caroline: „Toen dachten we: ja, dit past bij ons.”

Erik-Jan: „Klassieke locatie, met een studentikoos randje en met een grote ruimte voor bier en lekker eten. En bitterballen.”

Beroepsdeformatie

Erik-Jan: „Ik ben voor mijn werk veel weg en moet dan ook vaak uit eten. Dat is zeker twee avonden per week.”

Caroline: „Samen eten aan onze eigen tafel is daarom belangrijker dan in een restaurant.”

Erik-Jan: „Het is ook beroepsdeformatie. Als wij uit eten gaan tel ik meteen hoeveel mensen aan het werk zijn, en zie ik of de keuken druk is. Ik kan heel gevoelig zijn voor ontvangst en de wijze waarop ze met je omgaan. Gastvrijheid, daar ben ik natuurlijk heel kien op. Ik ga daarom altijd expres met mijn rug naar de keuken zitten, zodat ik niet afgeleid raak.”

Caroline: „Ik moet daar vreselijk om lachen. Als we verkeerd zijn gaan zitten en ik hem weer zie afdwalen, zeg ik: aaaah ben je weer aan het werk liefje. Dan draaien we even om.”

Erik-Jan: „Thuis zijn is dus wel zo lekker. Sloffen aan en gaan. Het wisselt wie van ons kookt. Ik ben wat meer van de klassieke keuken, en Caroline meer de Marokkaanse en Indische keuken. En we vinden het ook leuk om samen nieuwe kookboeken te kopen.”

Huismussen

Erik-Jan: „Ons drukke moment is tussen zes en half acht. Caatje ophalen van de opvang, Huub uitlaten en er moet gekookt worden.”

Caroline: „Diegene die als eerste in de auto zit belt: ‘ik haal Caatje op’. De ander wandelt met de hond. Als alles achter de rug is zitten we aan tafel uit te puffen.”

Erik-Jan: „Meestal gaat na het eten een Netflix-serie aan, heel soms vervangen we dat door een glaasje wijn en een goed gesprek aan de keukentafel. En als we heel stoer zijn doen we twee afleveringen Netflix, maar daar hebben we de volgende dag spijt van.”

Caroline: „We zijn vroege slapers, rond half elf gaat de lamp uit.”

Erik-Jan: „Haha, we zijn ook echt wel twee huismussen. We hebben elkaar daar ook enorm in gevonden: we hoeven allebei niet weg te gaan om het toch heel gezellig te hebben.”

Mont Ventoux

Erik-Jan: „Mijn grote hobby is fietsen, ik ben de Alpe d’Huez opgegaan, en Mont Ventoux.”

Caroline: „Hij heeft mij aangestoken, we zijn samen de Mont Ventoux op gegaan met een groep vrienden voor stichting ALS. Zijn moeder woont in Maastricht, daar is het ook heerlijk fietsen.”

Erik-Jan: „Maar om eerlijk te zijn doen we het veel minder nu Caatje er is. Doordeweeks zie ik haar nauwelijks, alleen een high five bij het welterusten wensen. Dat vind ik geen bijster intelligente vaderrol. In het weekend ben ik liever bij haar.”

Caroline: „En onze hond Huub maakt ook een verschil. We wandelen door hem heel veel en krijgen dus zo veel beweging. Ons leven is eigenlijk vooral veranderd toen Huub kwam. Toen moesten we opeens rekening houden met een ritme en het feit dat je iets hebt om voor te zorgen. Dus toen Caatje kwam waren we dat wel gewend.”

Erik-Jan: „De randen van mijn dag zijn bij mij wat strakker geworden, ik laat de tijd minder uitlopen. Meestal ben ik rond half zeven thuis.”

Uitslaapdienst

Caroline: „De boodschappen doen we voortaan één keer per week.”

Erik-Jan: „Dat is de invloed van Caroline. Ik ga liever elke dag, maar om eerlijk toe te geven: haar plan is beter.”

Caroline: „We maken schoon in het weekend, en bedenken dan bij het ontbijt wie wat gaat doen, wandelen, boodschappen, stofzuigen, zodat we in de middag lekker samen zijn.”

Erik-Jan: „Caroline doet altijd de was. En ik doe het vuilnis. Verder om en om.”

Caroline: „We ontbijten in weekend samen aan tafel. Diegene die meest kapot is van de week heeft uitslaapdienst, de ander tilt Caatje uit bed, gaat met Huub lopen en maakt het ontbijt.”

Erik-Jan: „En een keer per maand proberen we in het weekend naar de caravan van de ouders van Caroline te gaan. Hij heeft een paar jaar in de Ardennen gestaan, konden we lekker fietsen, en daarna op de Veluwe, vooral veel wandelen met Huub. Nu is het plan om naar de kust te gaan. De caravan moet maximaal op twee uur reizen staan: dan kun je zonder het vooraf te plannen er zo heenrijden.”