Column

Plank

Eén keer in de week moest ik langskomen om me uit te kleden. In een vertrek waar hout en stof vochten om de eerste plaats. Alleen mijn onderbroek mocht ik aanhouden. In die tijd – we spreken over de jaren negentig – bestond een ondergoedset voor jonge tienermeisjes uit een hoog opgesneden slip en een topje. Geen hemd, geen bh, maar iets daartussenin. Een topje. Dat was ín, met gym, als je nog niets hoog te houden had. Het was in de tijd dat mensen flessen water voor de tv zetten zodat Jomanda ze kon instralen.

Ik nam plaats op een bed. In die onderbroek. Voor mijn Gevoel. Werd één met mijn omgeving. Een plank. Een grenen plank. Op een badstof matrashoes. Die plank – waar iemands beginnende borsten op lagen – (zullen die van mij dan wel geweest zijn, maar ik distantieerde me toen nog fel van die dingen) werd door een vreemde ingesmeerd met muf geurende olie. Ik herinner me dat het plafond óók van hout was. Schrootjes. Ik kan de nerven uittekenen. Dat er om de bijna borsten heen gesmeerd werd. Dat ik er niet bij stil probeerde te staan of mijn houten tenen even kundig werden ingesmeerd als die borsten, mijn buik, mijn lies. Maar dat ik dat tóch deed. Wie mij insmeerde, man of vrouw, oud of jong, fier rechtopstaand of met bochel, weet ik niet.

Ik, was een plank.

Volgende week zelfde tijd. En vooral niet te lang stilstaan bij wie er vóór jou op het badstof lag

Herinnering bevestigt dat. Het insmeren leek in mijn beleving maanden langer te duren dan het uur dat ik daarna geacht werd eenzaam liggend te wachten onder een wollen deken. De wollen deken die over mijn ingesmeerde lichaam heen getrokken was. De deken die prikte, in die kamer, die koud was. Als ergens alles van hout is gaat de verwarming nooit aan. Kan je vergif op innemen. Had ik ook graag gedaan. Maar ík moest onder die deken liggen. Een uur lang luisterde ik naar sneltreinen die over de tussenstukken van spoorstaven denderden. Zo nu en dan stopte er één. Het houten kamertje was namelijk een betimmerd nieuwbouwkamertje, linksonder een station in een winkelcentrum te Zoetermeer. Je kan om minder dood willen.

Rústen, moest ik er, van de antroposofische huisarts. Even een uur de ogen sluiten. Maar dat deed ik nooit. Ik was een wakkere plank. Een depressieve plank, dat wel, maar niet gek.

Bachbloesemtherapie zou Gevoel weer vrolijk maken. Het zou mij hoop in het hart bieden, Gevoel dansjes doen wagen door weidelandschappen en ons een deur openen naar een optimistische levensinstelling en een vredige aanvaarding van ons lot.

Moesten we ons wel eerst weer aankleden na naakt gezien te zijn geweest en langs de C1000, het parkeerterrein en de glasbak terug naar huis. Volgende week zelfde tijd. En vooral niet te lang stilstaan bij wie er vóór jou op het badstof lag.

Gevoel is een moeilijke gast. Maar met een beetje mazzel, een babbel, borrel of een pil, smeert ‘ie ‘m vaak zelf wel.