Leren hoeft niet leuk te zijn

Onderwijs Nederlandse leerlingen zijn ongemotiveerd. Daarom zijn er ‘leuke’ lesmethoden. Maar die zijn niet per se effectief, zeggen experts.

Illustratie Tammo Schuringa

Een veel gedeeld docentengrapje op Twitter: „Na uren is Roger eindelijk klaar met zijn huiswerk: de tafel van vijf aan zijn buurvrouw communiceren in morsecode. Eerder schreef hij een rap over de tafel van drie en legde hij met pasta de tafel van vier. Maar ondanks dit alles weet Roger nog steeds niet wat drie keer vier is; zijn leraren snappen er niets van.”

De afzender van de grap, de Britse docent Andrew Percival, steekt de draak met de opkomst van ‘edutainment’ in het onderwijs: lespakketten die het leren leuker moeten maken. Als leerlingen geboeid zijn, is de gedachte daarachter, dan zullen ze de stof beter onthouden. En dat motiveert om méér te leren.

Dat laatste is hard nodig, want Nederlandse leerlingen bungelen wereldwijd onderaan wat betreft motivatie en discipline. Klassen zijn chaotisch en rumoerig, concludeerde rijkelanden-organisatie OESO in 2016. Desondanks presteren ze relatief goed. Een verklaring voor de lage motivatie in Nederland gaf OESO niet. De Inspectie van het Onderwijs schreef in 2014 dat leerlingen school louter als een plicht zien.

Motivatie aanwakkeren door leren leuk te maken – dat klinkt logisch. Maar Paul Kirschner, universiteitshoogleraar en hoogleraar onderwijspsychologie aan de Open Universiteit, noemt die gedachte naïef. „Het is simplistisch te denken dat leerlingen vanzelf leren als je ze eenmaal vast hebt”, zegt hij. „Toeters en bellen zijn niet genoeg om het leren te bevorderen. Het gaat om de didactiek.”

‘Leren’ en ‘leuk’, zegt Kirschner, zijn twee verschillende dingen. „Pingpongen is leuk, maar wie goed wil leren tafeltennissen, krijgt een strak trainingsschema. Gitaarspelen is leuk, maar als je een nieuw akkoord moet leren, krijg je kramp in je vingers.” En voordat Dalí en Miró hun surrealistische meesterwerken maakten, leerden ze realistisch schilderen. „Is dat het leukste wat je kunt doen? Nee, vrij schilderen is leuker.”

Hij wil maar zeggen: als je iets onder de knie wilt krijgen dat je nog niet kunt, zoals de bedoeling is van onderwijs, dan moet je je inzetten. En dat is niet per definitie leuk.

Gitaarspelen is leuk, maar van een nieuw akkoord leren krijg je kramp in de vingers. Je moet je inzetten

Paul Kirschner, hoogleraar onderwijspsychologie

Hoe wakker je motivatie dan wél aan? Kirschner noemt de drie-eenheid van goed leren: efficiënt, effectief en bevredigend. Idealiter ligt op elk aspect evenveel nadruk. Bevrediging, zegt hij, bereik je als de stapjes in het leerproces precies groot genoeg zijn voor een succeservaring. Zijn ze te groot, dan raak je gedemotiveerd; zijn ze te klein, dan raak je verveeld. Maar als je succes ervaart doordat je door inspanning iets beheerst wat je daarvoor nog niet kon, dan voel je voldoening – en dát motiveert.

In feite zijn afvalmethoden als ‘weight watchers’ en computerspelletjes op dat principe gebaseerd, zegt Kirschner: je maakt het steeds moeilijker om verder te komen, maar niet zo moeilijk dat mensen opgeven. „Wat je in feite wilt bereiken is een verslaving: een verslaving aan leren.”

Plezier in leren kan natuurlijk nooit kwaad. „Kleine kinderen houden van herhaling, dat is wetenschappelijk bewezen. Dus als je ze bijvoorbeeld de rekentafels leert door die steeds opnieuw ritmisch op te dreunen, doen ze iets wat ze leuk vinden en leren ze er ook van.”

Verleidelijke details

Maar veel methoden die worden bedacht om leren leuker te maken, zijn vanuit cognitief perspectief niet per se goed, zegt Liesbeth Kester, hoogleraar onderwijswetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Ze bevatten bijvoorbeeld verleidelijke details, zoals plaatjes of muziekjes. „Dat maakt de presentatie aantrekkelijker, maar draagt niet bij aan het leerproces.”

Goed leermateriaal moet aansluiten op het werkgeheugen, zegt Kester. Een combinatie van tekst en beeld kan goed werken, omdat je dan rijke informatie krijgt, die aanzet tot dieper leren. „Maar dan moeten beide elementen wel een rol hebben. Nu zie je dat plaatjes vaak alleen worden toegevoegd vanuit esthetische overwegingen. De vorm weegt dan net zo zwaar voor methodemakers als de inhoud, omdat methoden commerciële producten zijn.”

Marinella Orioni promoot meertaligheid voor kinderen: ‘Twee of meer talen leren? Je kind kan het’

Kester ziet meer methoden die misschien wel aantrekkelijk, maar niet effectief en efficiënt zijn. Zoals digitale leermethoden waarbij leerlingen zelf kiezen hoe ze de stof krijgen aangeboden. „Niet alle kinderen zijn daartoe in staat; ze weten nog niet wat ze nodig hebben om verder te komen.” Veel methoden bevatten bovendien dubbele informatie, zegt Kester: dan staan dezelfde gegevens in zowel de grafiek als de tekst en dat is zonde van het werkgeheugen. Of ze hebben een ingewikkelde vormgeving, met veel kleuren. „Dat vergt onnodige aandacht. Je kunt beter kleurcoderingen gebruiken.”

Elke dag hetzelfde ritme

Toch is het cognitieve perspectief niet het enige dat telt bij leren, zegt Kester. Een fijne sfeer in de klas zegt niets over de leerprestatie, maar kan wel bijdragen aan interesse, plezier en motivatie. „Dat zijn de affectieve componenten van leren. En die zijn een voorwaarde voor de cognitieve aspecten. Het een kan niet zonder het ander, het gaat om de juiste balans.” Zo kunnen methoden die bijdragen aan een goede sfeer het leren wel stimuleren.

Volgens Kester betrekken methodemakers steeds vaker wetenschappers bij hun werk. Ook Melchior de Vries, uitgeefmanager bij educatieve uitgeverij Malmberg, zegt dat. „Wij praten voortdurend met deskundigen over didactische ontwikkelingen. Maar wat voor ons waardevoller is: wat werkt in de klas?”

Over die vraag praat de uitgever voortdurend met leraren, directeuren en intern begeleiders van scholen. Er wordt geobserveerd in de klassen en voordat een nieuwe methode op de markt komt, zijn er testfases en panelbijeenkomsten. De uitgeverij probeert ook maatschappelijke ontwikkelingen in lesmethoden te vatten, vertelt De Vries. „Op dit moment hecht de samenleving waarde aan 21e-eeuwse vaardigheden zoals samenwerken en kritisch denken. Het is aan ons om dat soort holle termen concreet in een methode te verwerken.” Dat gebeurt bijvoorbeeld door instructies zo te formuleren dat jonge kinderen zelfstandig kunnen werken.

Als leerlingen het leren een beetje leuk vinden, kan dat zeker helpen bij het leerproces, denkt De Vries. Daarom begint de woordenschatles met een grappig filmpje, waar zowel de leraar als de leerling om kan lachen. „Dan is de hele klas meteen bij de les.” Bij bijvoorbeeld spelling, zegt hij, geldt een ander principe: als het maar werkt. „De didactiek is: inprenting en herhaling in elke dag hetzelfde ritme. Niet per se leuk, maar het werkt verschrikkelijk goed. Iedereen leert erdoor spellen. En we merken dat kinderen daardoor gemotiveerd raken.”

    Vier alternatieve lesmethodes

  1. Nederlands leren met een filmscript

    „Veel leerlingen denken: ik kan al Nederlands, waarom moet ik dat nog leren? Ze zien het als een nutteloos vak”, zegt uitgever Jorien Castelein. Samen met docenten en leerlingen dacht ze na over de vraag: waarom wil een kind Nederlands leren?

    Ze concludeerden dat kinderen actief met de Nederlandse taal bezig zijn als ze kletsen op WhatsApp, met vrienden roddelen, elkaar spannende verhalen vertellen – eigenlijk de hele dag door. Als ze dat nou eens voor het vak Nederlands kunnen doen, met inbreng van professionele scenarioschrijvers?

    Zo ontstond het idee voor Plot 26, een lesmethode voor het voortgezet onderwijs waarbij leerlingen drie keer per jaar samen een interactief verhaal maken. Thrillerschrijvers en een producer van de tv-serie Penoza werkten mee aan het scenario.

    De les begint met een filmpje op Facebook: er is een moord gepleegd. Leerlingen lezen politiedossiers en moeten als ‘officier van justitie’ een brief schrijven. Zo leren ze een zakelijke brief opstellen, met de juiste aanhef, een begin, midden en keurige afsluiting. „Als de brief niet goed is, wordt hij niet in behandeling genomen.”

    Leren moet zeker niet alleen maar leuk zijn, zegt Castelein. „Het gaat om de didactiek en wat kinderen uiteindelijk leren. Boeien, fun en humor zijn slechts een paar middelen om kinderen bij de les te houden. Om te leren moeten kinderen actief zijn in hun hoofd. Bij een motiverende les waarbij leerlingen het nut en de noodzaak zien van wat ze doen, blijven ze langer aandachtig en gefocust.” Uitgeverij Blink, die deze lesmethode heeft ontwikkeld, werkt onder andere met het principe ‘voelen is onthouden’: als een kind actief meedoet aan een les en zelf iets ervaart, is de kans groter dat hij er wat van opsteekt en het geleerde langer onthoudt. „We kennen allemaal het voorbeeld van woordjes stampen vlak voor een toets. Voor de toets haal je een goed cijfer, twee weken later weet je niets meer.”

  2. Biologie in een escape room

    Een doorgedraaide biologiedocent heeft de eindexamens gestolen. Nu liggen ze ergens in een kluis. Leerlingen kunnen die openen als ze alle opdrachten binnen één lesuur maken. De timer loopt.

    Dit is één van de escape rooms die biologiedocenten Anne de Groot en Joris Koot bedachten, onder de noemer ‘Escape the Classroom’. „Meestal verdelen we de leerlingen in vijf groepjes en maken we vijf plekken in het lokaal”, vertelt De Groot. „Die kleden we op een leuke manier aan, met verrassende spullen die bij de verhaallijn van de escape room passen. De opdrachten die we bedenken komen voort uit de lesstof. Er zit altijd wel iets geks bij, zoals een proefje dat leerlingen moeten doen.”

    De eerste escape room maakten ze zo’n twee jaar geleden, voor hun eigen vak biologie. Inmiddels hebben ze veel meer escaperooms bedacht. Ze geven er workshops over aan andere docenten en ontvingen subsidie om de werkmethode verder uit te bouwen. Wetenschappers onderzoeken de effectiviteit van de methode, maar De Groot en Koot merken al dat leerlingen ervan leren. „Ze vinden het leuk en ze ervaren waar ze vastlopen”, zegt De Groot. „Anders dan op een blaadje kun je een opdracht in een escape room namelijk niet overslaan.”

  3. Een game over de Tweede Wereldoorlog

    Het is oorlog. Je ziet de wereld door de ogen van verzetsstrijder Gezina van der Molen, een van de oprichters van verzetskrant Trouw. De Duitsers hebben 24 medewerkers van de krant gevangengezet. Wat doe je? Geef je de krant op in de hoop dat ze worden vrijgelaten of zet je door, met de kans dat 24 vrienden worden gefusilleerd? Is persvrijheid het leven van 24 mensen waard?

    Dit is een van de verhaallijnen die leerlingen in het voortgezet onderwijs volgen als ze de game Wartime Stories spelen bij het vak geschiedenis. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) stelde foto’s, video’s en geluidsfragmenten beschikbaar – zo ziet een Ariërverklaring eruit en luister naar het verhaal van een ooggetuige van de slag in de Javazee.

    Een teaser van Wartime Stories.

    Het spel van Uitgeverij Deviant is sinds 2016 op de markt, vertelt uitgever Sander Heebels. „Het mocht spannend zijn, natuurlijk, maar voor ons is de leeropbrengst het belangrijkst. De wil om verder te komen in het spel is de motivator om meer te weten te komen over de Tweede Wereldoorlog. Met enkel tekst en foto’s is het moeilijker om leerlingen betrokken te krijgen. Door echte beelden kunnen ze zich een betere voorstelling maken van de gebeurtenissen.”

  4. Engels leren met popliedjes

    Een videoclip in de klas: zo’n vijfentwintig kinderen kijken naar het liedje No Money van het Zweedse dj-duo Galantis. In de 45 minuten die volgen, wordt het nummer ontleed. Waar gaat het nummer over? Kennen de leerlingen nog meer Engelse woorden die met het onderwerp te maken hebben?

    Met Groove.me leren basisschoolleerlingen Engels met behulp van popliedjes. De methode werd bedacht door uitgeverij Blink. „Methodes gingen lange tijd uit van een wat eenzijdige didactiek gericht op kennisoverdracht”, zegt oprichter en directeur Jorien Castelein. „Een papieren boek was de basis, digitaal deden we er een beetje bij. Wij wilden iets maken wat kinderen wíllen leren en waarvan ze in de praktijk ook echt veel leren.

    Inmiddels werkt 30 procent van alle Nederlandse basisscholen met Groove.me. Angelique Westgeest, docent groep 7 en 8 op basisschool De Schakel in Ouderkerk aan den IJssel, doet dat sinds drie jaar. Daarvoor werkte ze met een tekstboek en een werkboek. De leerlingen gingen zuchten als ze zei dat ze Engels gingen doen en zelf vond ze het ook geen leuk vak om te geven. Gevolg: ze gaf drie keer per jaar een uurtje Engels. „De kennis van de kinderen sloot niet aan bij het voortgezet onderwijs.” Nu zijn haar leerlingen elke week bezig met Engelse woorden en grammatica. De liedjes zijn hits geweest, de meeste leerlingen kennen ze. De les eindigt met karaoke. „De een zingt harder mee dan de ander, soms dansen meisjes op de muziek. Dit sluit aan bij hun belevingswereld.”