Lachen om gevallen mannen – waarom doen we dat?

Essay Het lukt schrijver Christiaan Weijts niet om mee te schateren over gevallen mannen als Harvey Weinstein. Maar waarom niet? Drie praktijkgevallen werpen nieuw licht op onze neiging tot Schadenfreude.

Illustratie Nanne Meulendijks

Op het schoolplein, een kwart eeuw geleden, deed een gruwelijk verhaal de ronde over een gymleraar van een scholengemeenschap in de buurt. Die gluurde na de les vaak door een sleutelgat van de meisjeskleedkamer. Toen ze dit doorkregen, heeft één van die meiden na de gymles haar etui uit haar schooltas gegrist. Toen heeft ze daar de passer uitgetrokken die ze het uur ervoor nog had gebruikt bij wiskunde. Toen is ze met haar rug tegen die deur aan gaan staan, en is ze blijven wachten.

En ze heeft daar niet staan klunzen toen opnieuw dat glinsterende, dat verhitte, rondspeurende oog verscheen. In één steek – zoals je een hoekvlag in het gras plant – heeft ze de oogbol doorpriemd, het hoornvlies, de lens; we hadden bij biologie net een koeienoog ontleed – ik kende de anatomie.

Iedereen die het verhaal vertelde bracht weer nieuwe variaties aan, maar nergens ontbrak die harde lach, het wraakzuchtige geschater van het leedvermaak. „Mag lijen dat die lul nu met een lapje voor z’n oog leeft, haha!”

Als ik al meelachte was het als een boer met kiespijn. Al was het maar omdat ik ook wel eens aan zo’n sleutelgat had gestaan; ik was een jaar of veertien. Die zomer nog had ik op een Franse camping de schroeven ontdekt die je los kon draaien uit de tussenwandjes van de douche – ik kan nog altijd de sidderingen voelen bij de betoverende close-ups, zoals ik nog altijd een huivering voel bij die éénogige gymleraar, die sinds het #MeToo-gebeuren vaak door mijn hoofd spookt.

Weinstein, Eurlings, Moszkowicz

Ook nu lukt het me nooit echt om de gewenste mix van minachting en proestend leedvermaak op te brengen, een onvermogen waar ik me steeds vaker op betrap. Of het nu gaat om Harvey Weinstein, Camiel Eurlings, Bram Moszkowicz, Jos van Rey of Lance Armstrong: mannen die ten val kwamen om uiteenlopende reden, en overwegend door eigen toedoen. (Gevallen vrouwen kan ik evenmin uitlachen trouwens, maar die lijken in de minderheid. Rita Verdonk, Aysel Erbudak, Barbie?)

Ook Oedipus’ ondergang kwam door een eigen misstap, maar hoe zwaar was die hem nu eigenlijk aan te rekenen? Ik zag die glurende gymleraar in elk geval als een personage uit een boek of film, en later zou ik bij Aristoteles de belangrijkste les over zulke wezens leren. In zijn Poetica betoogt hij dat je in drama beter geen volstrekt deugdzame helden kunt opvoeren van wie het lot ineens omslaat van voor- naar tegenspoed. Daar kun je alleen maar afschuw voor voelen: wat verschrikkelijk, wat een schande! Omgekeerd heb je aan totale slechteriken ook niets. Gaan die ten onder dan denk je alleen: net goed, z’n verdiende loon!

„De ideale tragedie”, concludeert Aristoteles, „speelt zich daarom af rond mensen die het midden tussen deze uitersten houden. Ze mogen niet buitengewoon deugdzaam of buitengewoon rechtvaardig zijn, en als ze met tegenspoed geconfronteerd worden, moet dat niet een gevolg van laf gedrag of slechtheid zijn.”

Mensen zoals u en ik, zou je haast zeggen. Maar in de verhalen die we elkaar vertellen – op het schoolplein en de nieuwe varianten hierop in onze beeldschermen – negeren we Aristoteles’ les steeds vaker, en is iedereen of boosaardige dader of onschuldig slachtoffer. Veel smaken tussen ‘schande!’ en ‘net goed!’ lijken er vaak niet te zijn.

Ook het meisje met haar passerpunt is blijven rondspoken in mijn hoofd. Dat moet nu een vrouw van mijn leeftijd zijn, iemand die haar kinderen naar dezelfde sportclubs rijdt in een gezins-Volvo. Misschien zit ze wel naast me, hier in de atletiekkantine, waar ik deze regels tik. Herinnert zo’n omgeving haar ook ineens aan die steekpartij? Is ze slachtoffer, dader? Het lukt me niet haar te veroordelen maar evenmin om alleen medelijden met haar te hebben. Het blijft niet zozeer halverwege die twee steken, maar wisselt voortdurend. Zo leef je mee met personages: elk oordeel is een voorlopig oordeel, het eindvonnis is opgeschort.

De wereld knapt er van op, wil ik maar zeggen, van zo’n vleugje Aristoteles in onze waarneming. Moeten we dan voor alles en iedereen maar compassie hebben? En is dit niet een laffe vlucht naar veilig neutraal terrein?

Welnee. Juist het vlugge oordeel is hier de veilige bunker. Uitlachen is neutraliseren, op afstand zetten. Exit, zwaai zwaai, toedeledokie, en door maar weer. En nee, ik ben hier niet Mattheüs 7 aan het reanimeren. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde. Maar laten we op z’n minst ons oordeel even leren uitstellen.

Uitlachen is veilig, inleven riskant. Want dan moeten we erkennen dat ook wij die gymleraar of dat meisje met die passerpunt op z’n minst kúnnen zijn. Dan smeult het kwaad in ons, en moeten we ons ertoe verhouden.

Er is natuurlijk ook onschuldig leedvermaak. Sinterklaas die van z’n paard kukelt en andere lolbroekerij uit De Tv Draait Door. Dat is een mechanisme waarachter allerlei subtiele psychologische processen schuilen, die vaak te maken hebben met onze sociale posities. We hebben leedvermaak om degenen op wie we jaloers zijn, of om degenen die in onze ogen ten onrechte een hoge status hebben. We hebben leedvermaak als de dikke Porsche-rijder op de bon geslingerd wordt en wij vrijuit gaan.

Er is iets veranderd

Toch is het onderliggende proces vergelijkbaar met het zwaardere leedvermaak. En juist daarin is volgens mij iets veranderd.

Ik woon op de pendelroute tussen twee vestigingen van een middelbare school. In hun pauze fietste ik laatst op een maandag achter zo’n groepje jongens – bontkraagjes, petjes, energiedrankjes in de hand, en om de drie zinnen het woord ‘kanker’. Links van ons wilde een vuilnisman een zak de wagen in slingeren, die openscheurde. De inhoud stortte over z’n schoenen. Ik kon een glimlach niet onderdrukken, zoals dat heet – een goede barometer om leedvermaak mee te detecteren – en keek vlug de andere kant uit. De jongens lachten daarentegen onbedaarlijk, hinnikend. Eén van hen riep iets, waarop de vuilnisman hem een plastic fles naar zijn hoofd slingerde, wat beantwoord werd met: „Zo dan. Kankerneger. Kom vechten dan.” En toen ze hem gepasseerd waren, achteromkijkend: „Vieze gore vuilnisman, kom hier dan, kankerneger!”

Ik speel niet graag de tuthola die emmert over het verval der zeden, en doe dat hier dan ook maar niet. Laten we zeggen dat er gradaties in subtiliteit bestaan, bij die psychologische processen. Dat ik wegkeek, komt doordat leedvermaak altijd iets van schaamte in zich heeft. Het lachen ontsnapt je. Leedvermaak heeft iets onopzettelijks, aan allebei de kanten. De een overkomt iets tegen zijn zin, de ander lacht tegen zijn zin. Niemand wil het, kortom, en toch gebeurt het.

We lachen niet meer onvrijwillig maar moedwillig

Dat laatste dreigt om te slaan. Daar op straat wilden de lachers wel degelijk lachen. Ze stonden te popelen. En op de digitale plekken, waar je onzichtbaar bent voor het object van jouw schadenfreude, zijn de remschijven van de schaamte al helemaal afgesleten. We lachen niet meer onvrijwillig maar moedwillig.

Neem het geval van een redacteur van een uitgeverij, ontslagen na #MeToo-beschuldigingen. Ik heb die jongen nooit ontmoet, ik ken de zaak amper, en toch schrik ik als ik collega-auteurs een schaterlachend rondedansje zie maken in het kielzog van zijn aftocht. Het is de cultuur van naming and shaming, van het triomfantelijk tonen van opgespaarde screenshots – kijk, jij riep zelf twee jaar terug nog dit! Haha! –, van laaghartig achter de struiken wachten bij een hinderlaag, met de spycams op scherp. Elke uiting is een toekomstig bewijsstuk in een lastercampagne. Het hele leven is een practical joke en we zijn omringd door flat characters die we wel eens een toontje lager zullen laten zingen.

Leedvermaak kun je dit al niet meer noemen, omdat de dempende barrière van de schaamte al aan flarden ligt. Niks onderdrukt lachje. Andermans val is een startschot om vrijelijk te spuien wat zich aan drek en rancune heeft opgebouwd.

Omdat ik ook compassie met het bontkraagje probeerde te hebben, construeerde ik in gedachten een handjevol biografische coördinaten rond het joch. Zelf afkomstig uit een arm migrantengezin heeft hij zich opgewerkt tot havist aan dit op zichzelf vrij keurige college, en nu moet hij zijn positie bevechten – ook bij z’n maatjes – door omlaag te trappen. Ik rustte z’n ouders uit met trauma’s die hen verhinderden hem adequaat op te voeden. Ik strooide er nog wat cultuur-gerelateerde eigenaardigheidjes overheen. Het lukte niet helemaal, maar alleen maar de gedachte-oefening van hem een round character te maken bekoelde mijn weerzin voor dat stuk schorem.

Asielzoeker in vuilniszak

Het derde geval van leedvermaak waar ik bij wil stilstaan begint ook met een vuilniszak. Begin dit jaar zette de politie van Tilburg een foto op Facebook: een blauwe vuilniszak over een stoel heen getrokken in het Wilhelminapark. Je hoefde niet lang te kijken om te zien wat er aan de hand was. Uit de zak staken twee voeten, allebei in transparant plastic verpakt. Het bleek een uitgeprocedeerde asielzoeker, die elke vorm van hulp weigerde en zich op die manier probeerde te ‘verstoppen’.

Ik dacht: als dit een artistieke performance zou zijn, zou ik die vrij sterk hebben gevonden. Al was het maar omdat mijn primaire reactie erop zo tegenstrijdig was. Om te beginnen schoot ik hardop in de lach. Ja, ook hier ‘mocht dat eigenlijk niet’, maar niemand kon me zien. Net als die kerel zelf dus eigenlijk. Die deed wat kinderen van onder de twee kunnen doen: handen voor je ogen en niemand ziet je meer. Maar op hetzelfde ogenblik waren ook de tragiek en de triestheid al tot me doorgedrongen, waardoor ik bleef hangen in zo’n wankele toestand van emotionele kortsluiting.

Pas toen de foto een dag later opnieuw voorbijkwam – ook landelijke media hadden er lucht van gekregen en er zal op fotoredacties best wat gegniffeld zijn – dacht ik: die asielzoeker houdt ons een groteske spiegel voor. Dat struisvogelgedrag is namelijk precies de reactie van voorbijgangers als ik op dit soort daklozen. Je kunt ook verder gaan en zeggen dat we ze als vuilnis behandelen. Het kunstwerk kreeg steeds nieuwe betekenissen.

Leedvermaak kun je dit al niet meer noemen. Andermans val is een startschot om vrijelijk te spuien wat zich aan drek en rancune heeft opgebouwd

Intrigerend is bijvoorbeeld de reden dat de Tilburgse politie dit beeld deelde: men verzocht de parkbezoekers om niet meer de politie te bellen, want die kon niets doen en men werd stapelgek van al die meldingen. „Ziet u dit in of rond het Wilhelminapark, dan geen politie bellen.” Een oproep tot struisvogelgedrag. Gewoon doorlopen luitjes. Niet op letten. Het Algemeen Dagblad sprak de wijkagent: „Ja, het is een zielig beeld, maar medelijden hoeft zeker niet”, zegt wijkagent Alberto de Jezus. „We zijn met ik weet niet hoeveel hulpverleners langs geweest, maar hij weigert alle hulp.”

Lees ook de essay van Alma Mathijsen: Het was de hoogste tijd voor #MeToo

Een Jezus die oproept tot minder medelijden. Is het medelijden hier inderdaad zinloos, en is leedvermaak dan geoorloofd? Sommige mensen opperden in hun reactie dat de gemeentereinigingsdienst uitkomst zou bieden.

Als kunstwerk was het kortom geslaagd. Maar het was geen kunstwerk. Mag je wel met zo’n esthetische blik naar echt menselijk leed kijken? Als tegenvraag zou ik willen opwerpen: welk krachtig kunstwerk gaat niet over menselijk leed?

De esthetische blik is een onderzoekende blik waarin alles voorlopig is, opgeschort en waarin zich steeds nieuwe, vaak tegenstrijdige betekenissen aandienen. Onze gewone, functionele blik heeft onmiddellijk een oordeel over de situatie. Die man is gek. Die man wordt onrecht aangedaan. Schande! Net goed! Esthetisch kijken tilt je weg uit zulke reflexen en onthult de ambiguïteit in veel van wat wij zien en ervaren.

Je omgeving als readymades zien en de mensen lezen als personages: dat klinkt alsof je de wereld fictionaliseert en onecht maakt. Het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: dat je via de omweg van de fictie een complexere werkelijkheid leert kennen.