Recensie

Hoe alles subtiel met alles samenhangt

Nina Polak

In de tweede roman van Nina Polak beproeft een jonge vrouw de vrijheid in allerlei schakeringen.

Tekening Paul van der Steen

Nynke is vrij. Vertrokken uit Amsterdam, het ruime sop gekozen, matroos nu op een luxe jacht, en tegenwoordig voelt ze zich thuis als ze op zee is, op drift is. Want de wereld ‘is te krap als je het mij vraagt, te vol, te vlug’. Maar als de bijna-dertiger aan wal komt in Cannes en haar verleden in de vorm van de familie Zeno voor haar staat, begint de roman Gebrek is een groot woord. Er blijken rekeningen te vereffenen.

Zo lijkt de tweede roman van Nina Polak (1986) iets meer een noemenswaardige plot te hebben dan haar debuut We zullen niet te pletter slaan (2014), dat niet pretendeerde het van de plot te moeten hebben. Veeleer bood de roman een slice of life, waarbij je als lezer een poos met de personages mocht verkeren, preciezer gezegd: in de woorden waarin die levens neergezet werden. Dat was goed toeven, overigens. In dat debuut was de stijl van Polak al buitengewoon – tegelijk rijkgeschakeerd en uitgesproken, en daardoor genuanceerd – en dat gold evenzeer voor haar vermogen om uit die authentieke zinnen waarachtige, menselijke personages te laten oprijzen.

Gebrek is een groot woord heeft ook de kwaliteiten van Polaks debuut: het is verleidelijk om de roman langzaam te lezen, om maar zo lang mogelijk in dit universum te kunnen blijven, om haar zinnen te savoureren. Want iedere zin stáát, gemakzuchtige formuleringen vind je hier niet. En Polak waakt er ook voor om haar zinnen té fraai te maken, waardoor ze iets zelfvoldaans zouden krijgen. Het gevoel dat uit de taal oplaait is enorm, maar ze geeft gas zonder uit de bocht te vliegen – zoals wanneer ze huiselijkheid in een globetrottersbestaan beschrijft: ‘Thuis is hier en daar en hier, nu, in een Italiaanse jachthaven, waar Lood en ik eieren met ontbijtspek laten sissen in de kajuit, sterke koffie doen pruttelen en een zondagse dinsdag doorbrengen in witte badjassen die we bij een Carrefour kochten.’ Zo kan ik er nog wel een paar citeren.

Warme surrogaatfamilie

Nynke Nauta, alias Skip (scheepsverwijzingen alom), beschrijft haar leven zelf, als ik-verteller, met aangename zelfironie: ‘In mijn Kleine geschiedenis van slechte ideeën zou dit een eigen hoofdstuk krijgen, ‘Het tuinhuis’, waarin Skip Nauta zich vrijwillig laat opsluiten om een achtergelaten leven de kans te geven zich weer eens lekker om haar keel te wikkelen.’ Daarmee is het verhaal meteen wel samengevat: de ‘warme surrogaatfamilie’ die ze in Cannes tegen het lijf liep, noodt haar te logeren in Amsterdam Oud-Zuid, wat zeven jaar na haar vertrek niet echt goed uitpakt.

In dat gegeven openbaart zich het prangendst waar de hele roman om draait: vrijheid. Het liefste wat Nynke zou doen is contextloos en ontworteld leven, zo houdt ze zichzelf althans voor. Maar los van Amsterdam blijkt ze nog niet los van wat ze daar achterliet. Op zichzelf geen schokkende vaststelling, maar de manier waarop Polak het vrijheidsvraagstuk in allerlei verhaallijnen in allerlei schakeringen laat terugkeren, maakt een mooie, hecht samenhangende roman.

Haar relatie met ex-geliefde Borg, bijvoorbeeld, zet ze vanuit het tuinhuis weer voort – zogenaamd vanzelfsprekend pikken ze de draad weer op. Zonder moeite wentelt ze zich in de weelde van haar logeeradres – zogenaamd los van haar eigen bakermat, een ringweg en een reeks flats verderop. Ze laaft zich aan de ouderlijke liefde van Nico en Mascha Zeno – zogenaamd zonder gevoelens van voorwaardelijkheid en zonder bijgevoelens over haar eigen, overleden moeder. En ze gedraagt zich half vriendschappelijk, half ouderlijk tegenover hun inmiddels 17-jarige zoon – zonder te beseffen wat het betekent dat zijn millennialleventje, zelfbewust en voorbeeldig woke, inmiddels ver afstaat van het hare.

Gebrek is een groot woord speelt zich af in de zomer van 2014 en hoezeer het géén roman wil zijn die iets zegt over de (buiten)wereld, blijkt wel uit de totale afwezigheid van iets als vlucht MH17. Toch sijpelt er wel kleiner maatschappelijk grut binnen: iets van de sociale context waarin Nynke opgroeide, iets van kwesties als xenofobie en segregatie van Nederlanders met een migratie-achtergrond, of een concreet voorval als besmeuring van een standbeeld van de scheepsjongens van Bontekoe. Dat laatste doet Nynke af als ‘een vermoeiende gewetenskwestie’, waar ze ook wel ‘schaamte’ bij voelt. Liever dan zich te engageren is ze onthecht – een standpunt dat ook weer bijdraagt aan haar reliëf en tragiek als personage. Het heeft natuurlijk ook met die dode moeder te maken.

Gepolijste zinnen

Context is er dus wel degelijk. De frictie tussen Nynkes armoedige afkomst en de vanzelfsprekende rijkdom van de familie Zeno geeft de roman ook nog een zweem van een sociaal drama. Maar dat is eerder een motief, iets dat maar een onderdeel vormt van de vorming van Polaks personage. Zoals ook seksisme dat is, voor de hedendaagse vrouw die Nynke is: met haar doorzien we een male gaze van jewelste in een stuk proza dat Borg heeft geschreven over hun verhouding. Nogal een krachttoer trouwens: Polak slaagt erin Borg erbarmelijk proza te laten schrijven, dat niettemin een veelzeggend en boeiend deel van de roman is. Net zo overtuigend vangt ze steeds een persoonlijk idioom in WhatsApp-gesprekken, mails, dialogen: aards en toch bijzonder, bijzonder en toch niet pronkerig. Alleen het uitgangspunt dat Nynke zelf de ik-verteller is en on the spot vertelt (want in de tegenwoordige tijd), en dus dat al die evenwichtige, gepolijste zinnen rauw uit de mond komen van iemand die haar zaakjes nog echt niet op orde heeft, overtuigt niet helemaal.

Maar dat vergeef je die geweldige zinnen gemakkelijk, zeker omdat ze zonder uitzondering in dienst staan van het overkoepelende verhaal. Dat was nou net wat Nynke liever niet wilde weten: hoe alles subtiel met alles samenhangt, omdat juist dat de wereld zo krap en vol maakte. En zo groeit er nog iets anders ongemakkelijks in Nynkes binnenste, een gegeven dat extra dramatiek opwekt. Zo’n soort plot, een verhalende motor, zou Polaks volgende roman nóg wel sterker mogen hebben. Als dat tenminste niet ten koste gaat van de menselijkheid van dit boek, die voortkomt uit de indrukwekkende stijl. Want die zinnen, die maken Gebrek is een groot woord nog het meest tot zo’n rijke en pakkende roman.

    • Thomas de Veen