Recensie

Het galmend universum van Neo Rauch

De virtuoos schilderende Rauch leent bij allerhande tijdvakken en kruipt terug in de tijd. Maar overal blijft voelbaar dat hij geschoold is in het socialistisch realisme.

Neo Rauch, Die Kontrolle, 2010, olieverf op doek, 300 x 420 cm. Foto Uwe Walter

Daar, kijk daar, in de verte. Eén man kijkt naar links en een ander naar rechts, maar die derde, die wijst voor zich uit: daar!

Wat het is dat hij aan de horizon ziet opdoemen, valt buiten de randen van dit schilderij van Neo Rauch, maar het zal ongetwijfeld iets groots zijn – Rauchs werk gaat over visioenen, ideologieën, utopieën en de instorting ervan.

Zo ook dit schilderij uit 2001, Unschuld, dat in Rauchs solotentoonstelling in de Fundatie een hele muur voor zichzelf opeist. Zijn doeken ontlenen hun monumentaliteit niet alleen aan hun afmetingen, ook ademen ze met grandeur een geschiedenis die ruimte vraagt.

In de Fundatie heb je soms het gevoel dat ze uit de zalen barsten, dat het plafond te laag is – wat het niet is. Met ruim zestig schilderijen neemt de expositie het museum over, met een dwingende chronologische looproute. En dan die letters: het woord ‘Unschuld’ staat prominent op de betreffende afbeelding geschreven, in verschoten kleuren. Zo nadrukkelijk roepen onschuldig te zijn: dat kan niet in de haak zijn.

En in de haak is het nooit bij de uit Leipzig afkomstige Rauch. Het IJzeren Gordijn was roestig, maar bestond nog wel toen hij in de jaren tachtig werd geschoold in het socialistisch realisme. Kunst was bedoeld als propaganda van de al gauw failliete ideologie. En zowaar: als je nog eens naar Unschuld kijkt, lijkt het een zelfportret, dat mannetje dat zo vastberaden voor zich uit wijst, maar er volkomen verloren bij staat.

Lees ook een interview met Neo Rauch in zijn atelier in Leipzig: ‘Wen er maar niet te veel aan, aan die glamour’

Omringd door molens, machines en bouwblokken worden zijn personages gereduceerd tot economische instrumenten. De vroege werken zijn vaak op liggend formaat: panoramisch breed zoals een communistische bureaucraat de wereld planmatig uittekende. Het zijn zijn beste werken in de Fundatie: dat liggende formaat, enkele zendmasten, het land doorkruist door treinen of elektriciteitsdraden die nergens heen gaan, de mensjes. Elke lijn zit bomvol suggestie. Meer hoeft niet.

Toch zal het meer worden, want Rauch gaat in de jaren na Unschuld inspiratie halen bij telkens meer tijdvakken – eerst de 19e, later de 18e eeuw. De formaten worden steeds vaker staand en plechtig hoog. Omdat hij een Oost-Duitser is, zit er een zekere ironie en nostalgie in om een failliete schilderstijl te blijven gebruiken. Deze zet hij met andere schildertradities in tot één groot theaterstuk, waarin hij zelf een rol speelt van nederig boodschapper van iets groters.

Maar, aangezien hij dat grotere zelf heeft bedacht, maakt hij zichzelf ook almachtig en zijn gedroomde wereld, die vergeelde utopie, bombastisch. Telkens zie je moderne arbeiders tussen mythische wezens, in een avondrood kleurend surrealisme. Bordkartonnen figuren uit poesiealbums en oude illustraties zweven rond in een universum van verschoten kleuren, dat steeds meer gaat galmen. Ja hij is virtuoos, en ook sommige nieuwe werken zijn spannend, maar echt risico’s opzoeken of iets heel nieuws proberen, dat zit er niet in.

In plaats daarvan bouwt hij voort aan een continue wereld en die standvastigheid, die een zwakte is, versterkt dat beeld van een groots magisch universum. Kunstkopers staan op wachtlijsten om zijn schilderijen te mogen kopen. Door zijn schilderstijl niet te veranderen is het alsof Rauch geen keus heeft: zich voordoen alsof ook hij een radertje is in een machine, een ideologie, een visioen, iets wat hem en ons ontstijgt maar wat hij – als visionair – wel ziet. Oftewel: als hij vasthoudend die schilderstijl voortzet, dan blijft hij die droom optillen en versterken zijn schilderijen elkaar onderling. Al is het artistiek een wat voorspelbaar pad, het is een gouden formule. Met dank aan het IJzeren Gordijn.