Recensie

Franse pianist François-Frédéric Guy verdient meer publiek

De Franse pianist François-Frédéric Guy combineerde Beethoven en Brahms met twee wereldpremières. Die vielen een beetje tegen, maar Guy maakte indruk in de klassiekers.

foto Caroline Doutre

Behalve twee voornamen heeft de Franse pianist François-Frédéric Guy ook twee muzikale gezichten: hij specialiseert zich in de Duitse romantiek én voert graag nieuwe composities van voornamelijk landgenoten uit. In het Muziekgebouw toonde Guy zijn veelzijdigheid in een mooi geconstrueerd programma, dat begon met Beethovens Eroica-variaties en eindigde met Brahms, en daartussen twee wereldpremières bevatte.

Hugues Dufourt (1943), die ook al eens een Erlkönig voor Guy schreef, ontleende zijn titel Reine Spannung aan Rilkes twaalfde Sonnett an Orpheus. Het werk opende met enorm brede, atonale akkoorden, verbonden met notencascades, alles even luid, drammerig en nogal monochroom gespeeld. De klankwoekering dunde langzaam uit en leek onderweg naar een Feldman-achtige verstilling, zonder die te bereiken. Echte spanning bereikte Dufourt enkel in de spaarzame pianissimo’s.

Boeiender waren de Trois études après Kandinsky van Eric Montalbetti (1968). Een opvallende wereldpremière, want Montalbetti schreef het werk als jonge twintiger en liet het bijna dertig jaar op de plank liggen. Het bleken drie vitaal-abstracte miniaturen, waarvan de middelste – een reis van donker naar licht – het meest overtuigde, uitlopend in stralende lyrische tremoli.

Erg veel volgelingen lijkt Guy in Nederland niet te hebben, want het Muziekgebouw zat nauwelijks halfvol. Dat dat onterecht was, bewees Guy vooral ná de pauze, met een geweldige uitvoering van Brahms’ omvangrijke Derde pianosonate. In 2017 zette hij de drie Brahms-sonates al heel mooi op cd. Guy toonde zich niet zozeer een klankmagiër, maar een pianist die zijn greep op de muzikale architectuur weergaloos weet over te brengen.

Hij vermeed slepende tempi en romantiserende maniertjes en koos voor een verraderlijk eenvoudige, soms haast classicistische benadering, met een heldere klank en gelijke handen. De nogal massieve hoekdelen bezaten vaart, grandeur en verfijnde contouren, en de melodie van het Andante zong verrukkelijk.

De mooiste noot van de avond kwam vlak voor het slot van het Intermezzo: de fluisterzacht gespeelde solitaire basnoot.