Menno Wigman, een van de beste stadsdichters ooit

Menno Wigman (1966 – 2018)

Op 1 februari overleed Menno Wigman, een van de grote dichters van deze tijd. Dichter (en NRC-columnist) Ellen Deckwitz, staat stil bij de betekenis van Wigman als voormalig stadsdichter van Amsterdam.

Stadsdichter Menno Wigman op het Spui, tijdens de Amsterdamse Boekennacht in 2012. Bianca Sistermans

Een stadsdichtersschap kan gevaarlijk zijn voor iemands werk: het komt er bij zo’n ambt toch op neer dat je twee jaar lang gelegenheidsgedichten schrijft, waarbij het risico ontstaat dat de poëzie in kwestie beperkt houdbaar is. Toen Menno Wigman in 2012 aantrad als stadsdichter van Amsterdam was het dan ook zijn streven om werk te maken dat, in zijn eigen woorden, boven het moment uit zou stijgen.

Waar ik woon
Het sneeuwt. De grachten zijn, al sneeuwt het, goor.
Het afvalwater, lees je, zit vol coke.
De heupen van de stad zijn warm en vol.
Een witte Duitser geeft een pakje door.
Drugs hebben honger. Onze driften ook.

Het sterft van meisjes, mooi en slim en strak,
die eeuwig als de Amstel naar de stad
toe trekken, koppig is hun stroom en hard
hun droom van weelde en een warmer bed.
Zo geurt elk uur naar seks en intellect.

Het sneeuwt. De kroegen zijn vol kansgezichten.
Drugs hebben honger. Onze lusten ook.
Wat ik niet kréég. Wat ik niet nám. De stad
waar ik de liefde heb ontleed en steeds
gedichten schreef, die stad heet Amsterdam.

Het leverde enorm veelzijdige gedichten op, waarbij het werk desalniettemin typisch Wigmaniaans bleef: helder, klankrijk en zwart romantisch. Neem het vers ‘Waar ik woon’. Hierin sneeuwt het, maar kan het witte laagje de zelfkant van de stad niet verhullen: de grachten zitten vol met coke en de inwoners van Amsterdam hongeren zich suf: naar seks, drugs, eten, rookwaar. Mooie zachte beelden (‘de heupen van de stad zijn warm en vol’) worden afgewisseld met het ranzige: ‘de grachten zijn, al sneeuwt het, goor.’

Als geen ander was Wigman in staat om het mooie en het smerige, het banale en het hogere met elkaar te vermengen, en zo werden zijn stadsgedichten verzen waarin de veelkantigheid van Amsterdam in al haar facetten werd bezongen.

Van alles kwam aan bod: van de zakkenrollers in het openbaar vervoer tot het verlies van ras-Amsterdammers als Maarten van Roozendaal, voor wie hij het ontroerende ‘Vandaag is iedereen mooi’ schreef: ‘vandaag is iedereen mooi, mijn god,/ wat zijn de mensen goed geslaagd. En iedereen,/ ook ik, is nog een keer een lente waard.

Herostratos
Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
Ze naaien mijn gedachten op.
Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,
zo hevig en dramatisch dat mijn naam
in alle kranten komt te staan.

Napoleon, las ik, was kleurenblind
en bloed was voor hem groen als gras.
En Nero, die bijziend was, hield het spel
in zijn arena bij door een smaragd.

Nu even stilstaan. Moet je horen: ik
ga straks de straat op, ik besta het, schiet
me leeg en verf de feeststad groen.

Nog voor het eind van het festijn
zal ik de grootste zoekterm zijn.

Het bleef niet bij het beschrijven van wat er in de stad gebeurde: ook de mogelijke gebeurtenissen kwamen aan bod. In ‘Herostratos’ (genoemd naar de jongeman die in de vierde eeuw voor Christus de tempel van Artemis te Efeze in de fik stak, om zo eeuwige roem te vergaren) laat Wigman een terrorist in de dop aan het woord, die tijdens de kroning van Willem-Alexander een aanslag in Amsterdam wil plegen: ‘Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,/ zo hevig en dramatisch dat mijn naam/ in alle kranten komt te staan.’ Het terrorisme van de 21ste eeuw en onze verhouding daartoe beschrijft Wigman pijnlijk scherp met ‘Nog voor het eind van het festijn/ zal ik de grootste zoekterm zijn.

Frisse blik

De stadsgedichten die Wigman schreef boden bovendien een nieuwe, frisse blik op het vertrouwde. Over het massatoerisme dat de stad al jaren teistert schreef hij ‘Narcisten!’, dat begint met de heerlijke zin ‘Net als Venetië trekt Amsterdam dag/ en nacht narcisten aan.’ Dat hij juist twee steden noemt die bekendstaan om hun grachtennetwerk is geen toeval. De toeristen komen hier niet om cultuur op te snuiven, maar om zichzelf gereflecteerd te zien in al dat water; volgens hem de ‘diepe, zieke spiegels van de grachten’. Men is niet op zoek naar de stad, maar naar zichzelf, en Wigman steekt daar heerlijk de draak mee: ‘En jij staat bij het IJ en ziet/ hoe beeld na beeld in de montagekamer/ van het water glijdt en daar verdwijnt.

Narcisten!

Net als Venetië trekt Amsterdam dag
en nacht narcisten aan. Het zijn de spiegels,

de diepe, zieke spiegels van de grachten,
het is het water dat je gevel rekt,

het water dat galant de luchten vangt
en elke blik of kus op film vastlegt.

Narcisten! Laat in mei! Hun fraaie tred,
hun weergaloze kop: het komt op film.

Het is een drukke stad die aandacht wil
en krijgt. En jij staat bij het IJ en ziet

hoe beeld na beeld in de montagekamer
van het water glijdt en daar verdwijnt.

Een bijrol zijn we, ijdel, lang van stof,
en in een bijzin zullen we verdrinken.

Maar voor we uit het script worden geknipt
spiegelen we ons piekfijn aan het licht.

Menno Wigman was een uitzonderlijke stadsdichter. Niet alleen bezong hij Amsterdam in uiterst originele beelden, ook deinsde hij er niet voor terug kritisch te zijn. In ‘Aan het dievengilde op lijn 5’ zwaait hij poëtisch met de vuist naar de zakkenrollers die zijn geliefde te grazen namen: ‘dus jullie zaten met je jatten in mijn meisjes tas,/ mijn mooie meisje dat nog lang in tranen was?’ maar stelt hij ook dat zijn woonplaats nou eenmaal een criminele plek is: ‘Luister. Ik weet heel goed dat misdaad loont en heb,/ wie weet, te lang in Amsterdam gewoond.

Wigman moest weinig hebben van poëzie die wil ontwrichten door betekenissystemen op zijn kop te zetten, nee, het draaide om verstaanbaarheid, muzikaliteit: de troost en kalmte die woorden en klanken kunnen brengen, ook voor hen die geen Literatuurwetenschap hebben gestudeerd. Het werk dat ontstond tijdens het stadsdichtersschap is hiervan een stralend voorbeeld.

Wat een gemis dat een dichter als hij er niet meer is, die gelegenheidsgedichten kon schrijven die het moment ontstegen. Met Wigman verliest niet alleen Nederland een van haar grootste poëten, maar ook een van de beste stadsdichters die er ooit zijn geweest.

Menno Wigman (1966-2018) was van 2012 tot 2014 stadsdichter van Amsterdam.
Meer dan de helft van de gedichten die Wigman tijdens zijn ambtsperiode schreef, werd opgenomen in Slordig met geluk, Uitgeverij Prometheus, 2016.

 
Aan het dievengilde op lijn 5
Dus jullie zaten met je jatten in mijn meisjes tas,
mijn mooie meisje dat nog lang in tranen was?
Dus jullie stropen onbewogen deze tramlijn af,
verkennen heel behoedzaam en behendig huid
en kleden hier al jaren mensen uit?

Zo vuil als zij zich voelde. De zwadder uit haar mond.
Dat ooit die zwadder op die smoel van jullie brandt.
Luister. Dat geld, dat is van jullie. En haar smartphone ook.
Luister. Ik weet heel goed dat misdaad loont en heb,
wie weet, te lang in Amsterdam gewoond.

En jullie vingers grissen door en grissen door – voor wie,
voor wat? Hoe komt het toch dat geld zo snel verwart?
Opstaan, je nest uit komen, naar je tram toe lopen,
van harde luxe dromen en niemand ooit je kunst vertonen. Zie dit meisje. Kijk haar aan.

 
Bericht vanuit de Pels
Thomas! Ik ken een kroeg waar men vermoedt
dat tijd er niet toe doet. Ze drinken er
en glijden laks een slap horloge uit.

Thomas, die kroeg deint als een schip, een schoot
en wie er meedrinkt wordt een bondgenoot
tegen de tijd. Ik weet dat je het niet

meer zo op mensen hebt, maar hier behelpt
men zich met bier, hier gutst het leven, even
zal men je van die snik in je genezen.

Dus je komt niet? Wilt geen Verhalen drinken,
verlaat je huis niet voor subliem gezeik,
valt stuk als speelgoed zomaar uit de tijd?

Geschreven ter nagedachtenis aan Thomas Blondeau

 
Tot de bodem
Een kroeg bezoeken en naar glazen grijpen,
je geest, een luchtballon, van zandzakken bevrijden,

steeds hoger stijgen en blijmoedig verder hijsen,

de hoogste tijd, een nieuwe kroeg, je geld, je jas, 

zo dweil je door de koude voorjaarsnacht en pist,
je bent een man of niet, schuimkringen in de gracht.



Ik las dat de politie bij elk waterlijk
(het gaat om meer dan vijftig doden in drie jaar)

sinds kort meteen naar open gulpen kijkt.
Hoe drank een vloek over de grachten verft.

Hoe water ’s nachts naar mensen grijpt.



Een flits van speelgoed, stranden, tuinen en tv.
Naar kades klauwen, in je kreten stikken, rond
die luchtbel, rond je hoofd, een engel die niet komt,

o de gestorven zomers in je mond.

 
Vandaag is iedereen mooi
De ene helft van zijn leven had hij weggezopen,
de andere ging op aan katers.
Vrijdag. Hij had niet Schopenhauer zitten lezen.
Hij dacht niet aan dood en niet aan later
en half gehavend liep hij over straat en zag

een mooi gezicht, toen nog een mooi gezicht en dacht:
vandaag is iedereen mooi, mijn god,
wat zijn de mensen goed geslaagd. En iedereen,
ook ik, is nog een keer een lente waard.

Drinken is doodgaan en weer opstaan uit de dood.
Ik denk dat ik wel duizend levens heb
geleefd en steek mijn kop nu in het voorjaar.
Doorluchtig verder lopen, doodleuk gezichten prijzen,
bij een kroeg neerstrijken en drinken op het licht.

    • Ellen Deckwitz