Amsterdam zoekt grenzen op met schuldhulpverlening

Schuldhulpverlening

Werkenden met schulden zijn voor gemeenten een onzichtbare groep. Het CAK hielp Amsterdam aan hun gegevens. Een unicum.

Dennis van den Burg (links), de niet zo zakelijke eigenaar van een dierenwinkel in Amsterdam-Noord, was een van de hoofdpersonen in de tv-documentaire Schuldig, over armoede. Foto Olivier Middendorp

In de nazomer van 2017 bellen onderzoekers ’s avonds aan bij adressen in Amsterdam. Ze gaan in tweetallen: de een komt van de Ombudsman Metropool Amsterdam, de ander van het CAK uit Den Haag. Dat voert voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport publieke taken uit, zoals de regelingen voor mensen die anders buiten het zorgstelsel zouden vallen: wanbetalers, onverzekerden en gemoedsbezwaarden.

Op deze avonden zoeken de onderzoekers naar wanbetalers, mensen die zes maanden of langer hun zorgpremie niet hebben betaald. Van vijftien wanbetalers heeft het CAK het burgerservicenummer (bsn) verstrekt aan de Amsterdamse ombudsman, die er bij andere diensten gegevens bij zocht. Het criterium: ze moeten minstens zes jaar in de wanbetalersregeling zitten en meer dan 20.000 euro schuld hebben. Veertien mensen doen (uiteindelijk) open, de vijftiende blijkt onvindbaar.

In één woning ziet May Pastoors, manager dienstverlening en bedrijfsvoering van de ombudsman, een grote tv aan de muur, en vermoedt ze dat bij deze schuldenaar eerder sprake is van niet-willen dan van niet-kunnen. Maar meestal is de woning waar ze binnenkomt kaal of een grote puinhoop met stapels rekeningen. Bij een enkeling volstaat één telefoontje om een afdoende schuldenregeling te treffen. Bij de meesten, zegt Pastoors, is sprake van een kluwen van problemen, door ziekte, ontslag, scheiding.

Twee zaken vallen op. De gemiddelde schuld van deze veertien bedraagt liefst 45.000 euro, alleen al bij overheidsinstanties. En tien van de vijftien waren niet in beeld als problematische schuldenaren bij gemeente of schuldhulpverleners. Dat is precies waarom de ombudsman met het CAK had afgesproken deze huisbezoeken af te leggen. Het CAK weet wie van zijn klanten problematische schulden hebben, maar kan hen niet helpen. De gemeente kan wel helpen, maar weet niet welke mensen problematische schulden hebben – tenzij ze in de bijstand zitten. „We zijn ons werkterrein aan het verleggen”, zegt de Amsterdamse wethouder Arjan Vliegenthart (werk en armoede, SP). „Nu gaan we met werkend Nederland aan de slag.”

275.000 wanbetalers

Toen Daan Hoefsmit in 2017 aantrad als bestuurslid van het CAK, trof hij in de ‘kaartenbak’ 275.000 wanbetalers aan. Mensen die hier twee jaar in zitten, komen er naar verwachting niet op eigen kracht uit. „Van al die schulden ligt 60 procent bij de overheid”, zegt Hoefsmit. „De Belastingdienst is de grootste schuldeiser.”

Zorgverzekeraars en CAK voelen volgens Hoefsmit niet alleen de publieke plicht om wanbetaling te voorkomen en verhelpen, ze hebben er ook direct financieel belang bij. Hoefsmit wijst op de betalingsregeling die verzekeraar CZ heeft doorgevoerd. In 2010 was CZ 20 miljoen per jaar kwijt aan oninbare premie-achterstanden, in 2015 was dat gehalveerd. „Mensen met schulden”, zegt Hoefsmit, „gebruiken ook zo’n 20 procent meer zorg dan mensen zonder.”

In juli 2017 is in de Wet op de zorgverzekering een bepaling opgenomen dat het CAK gegevens mag delen met gemeenten. Maar al eerder werd Hoefsmit benaderd door de Amsterdamse ombudsman Arre Zuurmond. Die wilde wel eens kijken wie die wanbetalers waren en wat er met hen aan de hand was. Omdat het om een kleine groep ging en het doel volgens hem belangrijk genoeg was, droeg Hoefsmit bij wijze van pilot vijftien bsn’s over aan de ombudsman. Op dat moment zaten zo’n 23.500 Amsterdammers in de wanbetalersregeling. „Uitwisseling van gegevens mocht niet. Dus gaven wij bsn-nummers”, zegt Hoefsmit. Ombudsman Zuurmond is van die wanbetalers adres en gegevens over hun schulden gaan opvragen bij andere diensten.

Op de lokale radio zei Zuurmond in oktober: „Er zijn fijnproevers die zeggen dat het niet mocht.” Hij was deze week met vakantie, maar wethouder Vliegenthart beaamt dat enkele gemeentelijke instanties „met enige drang” moesten worden overtuigd om mee te werken. Pastoors: „Dat heeft tot wat discussie geleid met overheidsorganisaties die menen dat hun geheimhoudplicht zwaarder weegt.” Hoefsmit: „De afweging tussen privacy en hulp verlenen is een politieke keuze.” Vliegenthart: „Alles waarvan ik niet te horen krijg dat ik het niet mag, doe ik.”

De wethouder stuurde donderdag een brief naar de gemeenteraad met het voorstel zes ton uit te trekken om 2.000 mensen uit de wanbetalersregeling te halen en te zoeken naar „knelpunten die mensen ondervinden om uit de schuldenproblematiek te komen”. De geselecteerden hebben geen uitkering, geen afbetalingsafspraken met de zorgverzekeraar en worden geacht niet zelf uit de wanbetalersregeling te komen. Hoefsmit heeft intussen gegevens gedeeld met tachtig gemeenten die Amsterdam willen nadoen. „Dat is ongeveer de helft van al onze wanbetalers.”

De ombudsman is na de huisbezoeken aan de veertien wanbetalers – van wie volgens May Pastoors nog niet alle dossiers zijn afgerond – in oktober begonnen aan een nieuwe ronde: 150 mensen, nu in Amsterdam-Noord, samen met reguliere schuldhulpverleningsorganisatie Doras. Doel is te kijken welke structurele barrières er zijn, maar ook om te berekenen wat het oplevert als mensen uit de wanbetalersregeling zijn bevrijd. Pastoors: „Minder schuld leidt tot minder stress, leidt tot meer uitstroom naar werk en tot minder zorgkosten.”

Het label fraude

Waarom gaat de ombudsman door met huisbezoeken, nu er ook reguliere hulpverlening bij is? Pastoors: „Wij denken dat wij vanuit onze rol bepaalde barrières makkelijker kunnen slechten.” Zij noemt iemand „die wij elf keer thuis hebben bezocht voordat hij voldoende vertrouwen had om zich te laten helpen. Ik weet niet of schuldhulpverlening die tijd had kunnen opbrengen.”

Pastoors heeft bij de huisbezoeken „heel heftige dingen” gezien. „Je krijgt er niet altijd de vinger achter wat er speelt.” De overheid, zegt ze, plakt al gauw ergens „het label fraude” op, en dan mag de hulpverlener de schuld niet saneren. „Je hebt een bijbaantje en een aanvullende uitkering en je gaat een keer de mist in met dat opgeven – dan wordt in overheidsland al snel van fraude gesproken. Terwijl het ook een misverstand kan zijn. Dat zijn wij tegengekomen.”

Moet een ambtenaar fraude niet melden? „Er is nog niet echt iets voor hulpverleners waar ze dat kwijt kunnen”, zegt Pastoors. „We zijn in gesprek met de Landelijke aanpak adreskwaliteit, die fraude met adresgegevens bestrijdt.”