Recensie

De onttovering van een genie

Leonardo da Vinci

Van het commentaar van auteur Walter Isaacson, die eerder een hagiografie over Steve Jobs schreef, zou je graag verschoond blijven in deze rijke biografie van uomo universale Leonardo da Vinci. Ook krijgt de biograaf geen vat op de psyche van het Renaissance-genie.

De dame met de hermelijn, 1490.

Opengezaagde schedels, paarden ontleed, spieren en pezen blootgelegd, overpeinzingen in spiegelschrift, waterpartijen, gedrochten, vliegtoestellen, portretten en schetsen van edelvrouwen en atelierhulpjes met glanzende ogen: bladeren door Leonardo da Vinci. De Biografie van Walter Isaacson (1952) is spectaculair.

Leonardo da Vinci had een grillige concentratieboog. Ter voorbereiding op zijn schilderijen verzandde hij vaak in eindeloos onderzoek. De opdracht om een beeld te houwen van doge Francesco Sforza in volle wapenrusting te paard leidde tot een gedetailleerde studie naar de anatomie van het paard. Hij mat elk bot, elk gewricht, elke spier, de lengte van de hoef en de dikte van het spaakbeen. Hij schreef vervolgens een verhandeling over de bouw van het paard. De bezoeken aan de stallen zetten hem aan het denken over handige manieren om haver van zolder in voerbakken te gooien en hoe een stalvloer moest worden aangelegd voor optimale afwatering.

Aan het beeld zelf kwam hij dus niet echt toe en zijn opdrachtgevers werden doorgaans nogal nerveus van Leonardo’s manier van werken. Toen hij bij het schilderen van Het Laatste Avondmaal in optica-studies verzeild raakte, zodat tenminste vanuit het midden van de refter Jezus en zijn discipelen de juiste verhoudingen zouden hebben, klaagde de prior van Santa Maria della Grazie bij Leonardo’s opdrachtgever. Leonardo werd op het matje geroepen, maar riposteerde dat hij nog een model zocht voor Judas en dat hij de prior daarvoor zou nemen als die bleef drammen.

Sociaal leven

Walter Isaacson schreef eerder biografieën over Benjamin Franklin, Albert Einstein, Henry Kissinger en een hagiografie over Steve Jobs. In zijn boek over Leonardo beschrijft hij leven en werk in 33 hoofdstukken. De meeste draaien om één kunstwerk en de totstandkoming daarvan, zoals over het standbeeld van Sforza of Het Laatste Avondmaal. Isaacson heeft daarbij oog voor de opdrachtgevers en het sociale leven van Leonardo, alsook voor het Florence en Milaan van eind vijftiende en begin zestiende eeuw. Hij gaat uitgebreid in op diens werkwijze, zijn onderzoeken, zijn twijfels, de materialen waarmee hij experimenteerde. Het meest tot de verbeelding spreken de eindeloze alledaagse aantekeningen van Leonardo die Isaacson erbij haalt. Een paklijst: ‘Een roze Catalaans gewaad. Een donkerpaarse pelerine met wijde kraag en fluwelen capuchon. Een jas van donkerpaarse satijn. Een jas van karmozijnrood satijn. Een paar donkerpaarse kousen. Een paar lichtroze kousen. Een roze hoed.’

Leonardo, zo blijkt ook uit allerlei getuigenissen van tijdgenoten, was een ontzettend knap en innemend figuur. Hij was een graag geziene gast bij zijn mecenassen en had veel vrienden. Opvallende mensen op straat sprak hij aan. Hij verleidde hen om bij hem te komen eten en drinken. Als iedereen aangeschoten was maakte hij ze onbedaarlijk aan het lachen, om vervolgens iedereen weg te sturen en als een bezetene de grimassen, de uitdrukkingen, de hulpeloze hysterie van de dronken medemens te schetsen.

Nachtenlang stond hij, misschien wel in zijn donkerpaarse pelerine en zijn lichtroze kousen, ontbindende lichamen uit elkaar te halen. Hij boorde schedels in tweeën om er achter te komen hoe de hersens waren gevormd en kookte oogbollen in eiwit om ze door te kunnen snijden zonder ze te vervormen. Hij ontwierp bruggen en kerktorens en vleugels waarmee mensen zouden kunnen vliegen. Hij schilderde natuurlijk ook nog stukken als De dame met de hermelijn, Mona Lisa en Salvator Mundi.

Dandyeske maniak

Van een biografie van dergelijke omvang zou je verwachten enig inzicht te krijgen in de psyche van deze dandyeske maniak. Dat je daar ook na 600 bladzijden van gespeend blijft is de auteur niet helemaal aan te rekenen, gezien de ongrijpbare aard van zijn onderwerp.

Maar Isaacsons poging het genie van Leonardo te vatten is een miskleun. Zijn psychologie komt niet veel verder dan de constatering dat Leonardo een buitenechtelijk kind was en altijd een buitenbeentje bleef, dat Isaacson dan weer koppelt aan dat andere grote genie, Steve Jobs, en diens reclameslogan ‘Terwijl sommigen ze zullen beschouwen als gekken, zien wij genieën’.

Isaacson benadrukt steeds dat Leonardo ook maar een mens was: ‘De scherpte van zijn observatievermogen was niet een of andere superkracht die hij bezat: het was het product van zijn eigen inspanningen. Dat is belangrijk, aangezien het ons erop wijst dat we ons, als we willen, niet alleen over hem kunnen verwonderen, maar ook van hem kunnen leren door onszelf te dwingen nieuwsgieriger en aandachtiger naar dingen te kijken.’ En over de indringende ogen die Leonardo schilderde: ‘Dit “Mona Lisa-effect” is niet magisch; het is domweg het resultaat van het neerzetten van een realistisch paar ogen.’

Die pogingen Leonardo ‘een van ons’ te maken zijn potsierlijk. Isaacson besluit zijn uitgebreide studie met een lijstje tips voor de lezer om het leven wat meer als dat van Leonardo te maken, zoals: ‘Behoud dat kinderlijke gevoel van verwondering’, en: ‘Zie ongeziene dingen’. Deze adviezen verplaatsen je nogal ongevraagd naar de sferen van een zogenaamd inspirerend bedrijfscongres, terwijl je liever nog wat langer in het Milaan van de Renaissance zou blijven hangen.

Isaacson noemt vaak Alberti’s De Pictura (1435) en de invloed daarvan op Leonardo, maar maakt nauwelijks expliciet waarom dat het handvest van de humanistische kunstenaar is. Dát uitdiepen had allicht Leonardo’s drang om alles te onderzoeken in een verhelderend licht gezet.

Afgezien van Isaacsons eigen bespiegelingen biedt zijn boek een prachtig overzicht van Leonardo’s kunstwerken. De maker moet dan maar een raadsel blijven, met als meest onbetwistbare typering die van kunsthistoricus Kenneth Clark: ‘De meest aanhoudend nieuwsgierige man in de geschiedenis’. Dat blijkt uit zijn lijstjes voorgenomen taken: ‘Beschrijf de kaak van een krokodil. Beschrijf de tong van een specht.’ En: ‘Vraag de meester van de rekenkunde te laten zien hoe je een driehoek moet kwadrateren… Vraag Benedetto Protinari met welke middelen ze in Vlaanderen op ijs lopen… Vraag een meester in waterbouw je te vertellen hoe je een sluis, kanaal en molen op Lombardische wijze repareert.’

    • Nynke van Verschuer