Merlin Daleman

Wilde ganzen vangen, wie doet het nog?

Ganzen vangen Harry van Kessel is een van de laatste ganzenflappers van Nederland. Hij vangt ganzen voor de wetenschap. Wie wil nog dag in dag uit in een winderige polder staan?

Versterkte ganzengeluiden schallen over het Brabantse platteland. Vroeger blies ganzenflapper Harry van Kessel op een speciaal fluitje om wilde ganzen te lokken, tegenwoordig gebruikt hij een radio met een usb-stick en een megafoon.

‘Gak gak, gak gak’

Drie oude mannen turen naar de grijze hemel.

Dan, opgewonden: „Ja, ze komme!” De gespotte troep ganzen is nieuwsgierig en mindert vaart. Op het moment dat de vogels laag op de wind glijden, pakt een van de helpers razendsnel de lokganzen uit hun hok, om ze een voor een de lucht in te gooien. Zonder aarzeling vliegen ze alle twaalf dezelfde kant op: naar een paar andere lokganzen, de lokmannetjes, die aan een tuigje verderop in het gras staan. „De wilde ganzen zien dat en denken hé, daar is wat te halen”, legt Van Kessel uit.

Merlin Daleman
Nederland, Maren-Kessel, 30-01-18
Harry van Kessel de ganzenflapper.
? Photo Merlin Daleman

Wat hij hoopt, gebeurt. De passanten landen bij de lokkers. „Mooi, mooi. En nu begint het wachten.”

Harry van Kessel (76) wacht zeven dagen in de week, van november tot halverwege februari. Het grootste deel van de tijd tevergeefs, dan vertikken de wilde ganzen het om op zijn net te stappen, dat ingegraven in de grond ligt. Heeft hij wel beet, dan is de voldoening groot. „Meestal drinken we er een neutje op.”

Vanochtend was hij om half acht op het land, waarvan hij de ligging liever niet gespecificeerd ziet in de krant. Heeft te maken met een brutale ganzendiefstal kort geleden, waarover straks meer. Meestal blijft hij tot het donker wordt. Twee helpers, net als hij in bezit van een vangvergunning, helpen hem vrijwel alle dagen.

Zijn vader fietste honderd jaar geleden al met een juten zak vol zelf gevangen ganzen tussen de landerijen door. Die verkocht hij, om zo wat extra te verdienen voor het grote gezin. Van Kessel ging als kind graag mee. „Het zit in mijn bloed.”

Hij noemt het een jachtinstinct, al mogen er voor de consumptie sinds eind jaren zeventig geen ganzen meer worden gedood. Elk gevangen dier is binnen hooguit twee dagen weer vrij. Van Kessel vangt voor de wetenschap. Zodra hij ganzen te pakken heeft, belt hij een vrijwilliger die ze registreert en ringt. Vogelonderzoekers brengen zo het gedrag van wilde ganzen in kaart.

Ganzen zijn net als mensen

Waar vader Van Kessel zich in de vorige eeuw verschool achter een rieten scherm in een winderige polder, maakte zijn zoon een hut van een soort zeecontainer. Behalve hokken voor zijn lokganzen, bouwde hij er ook een hok voor zichzelf. „Lust je een kop thee?”, vraagt hij als hij de dop van zijn thermoskan draait. In de hut staan bankjes vanwaar je door twee ramen goed uitzicht hebt. Stroom is er niet, maar hij heeft een gaskachel en een gasstel. „Alle dagen eet ik iets warms. Vandaag snert. Heeft mijn vriendin gemaakt.”

Thuis houdt Van Kessel 55 ganzen, die hij allemaal uit elkaar kan houden. Vanaf het moment dat de kuikens uit het ei zijn, pakt hij ze op en praat hij tegen ze. Hij traint de vogels om te helpen bij de vangst.

„Het draait allemaal om de familieband. Als je de mannetjes in het veld zet, vliegen de vrouwtjes en de kuikens er vanzelf naartoe.” Vader en moeder blijven elkaar een leven lang trouw. Sommige vogels werken al twintig jaar voor hem. Hij is er verknocht aan. Kan je nagaan hoe van streek hij was toen op een dag acht van zijn beste lokkers waren gestolen. Dat was in honderd jaar nog nooit gebeurd. Nachten heeft hij er wakker van gelegen.

Door de deuropening roept hij naar een van zijn helpers: „Hoeveel zitten er op het net?” Het zijn er twee. Zou hij nu aan een kabel in de hut trekken, dan springt het net uit de grond en heeft hij twee ganzen gevangen. Maar liever wacht hij, in de hoop dat de andere vogels ook de goede kant op lopen. „Er kan ook een helikopter of een reiger overvliegen, dan schrikken ze en heb je niks.” Hij haalt zijn schouders op. Daar moet je dus tegen kunnen.

Geen nageslacht met flappershart

Ooit was Harry van Kessel boer, daarna metselaar. In de winterdag keek hij uit naar het vorstverlet op de bouw. Hoefde hij mooi niet te werken en kon hij ganzen vangen. Het aantal ganzenflappers in Nederland neemt in rap tempo af – ‘flappen’ is een term uit de jacht: ganzen vangen met een net. Waren er toen Van Kessel jong was wel een stuk of vijftig, nu telt hij er geen tien meer. „Dat komt doordat je er altijd moet zijn hè. Wie kan dat nog? Vroeger werkten de mensen om het huis en was het makkelijker.” Hij heeft twee kinderen, maar zij zullen het vak niet van hem overnemen. Ook zijn helpers, die de kunst afkeken van hún vaders, hebben geen nageslacht met een flappershart. „Wij sterven uit.”

Door zijn verrekijker tuurt hij naar de wilde ganzen op het land. „Ziet er niet best uit.” De vogels zijn onrustig. En ja hoor, dan slaan ze met hun vleugels en vliegen ze weg. Twee uur wachten voor niks. Van Kessel stapt in zijn laarzen door de klei om zijn lokvogels terug te halen. Aan het wiel van een kruiwagen heeft hij een elektrisch motortje geknutseld, zodat hij de ganzenkar niet op eigen kracht door de blubber hoeft te duwen. Zijn tamme ganzen roept hij met een simpel ‘kom es’. Voor de mannetjes aan het tuigje strooit hij wat voer. Terug bij de hut hevelt hij de vogels, familie bij familie, over in hun hok. En nu? „Nu kijken of er een nieuwe troep ganzen overvliegt. Dan beginnen we weer van voren af aan.”

Opwinding in de hut

Harry van Kessel roert in zijn erwtensoep op het vuur. Hartelijk begroet hij de ganzenringers die intussen bij zijn hut zijn gearriveerd. Ze komen de negen kolganzen die hij de vorige dag heeft gevangen, registreren. Berend Voslamber, bioloog en vogelonderzoeker bij Sovon in Nijmegen, geeft de ganzen een pootring en een halsband. „Er zijn vogelaars die door hun telescoop alleen maar naar ganzen kijken”, vertelt hij. „Zij geven door welke gans ze waar zien. Er is zelfs een app voor [BirdRing, red]. Sommige ganzen zenderen we, zodat we precies weten waar ze het hele jaar door zitten.”

Nederland, Maren-Kessel, 30-01-18
Harry van Kessel de ganzenflapper.
De vrouwelijke lokganzen worden uitgezet.
? Photo Merlin Daleman

Hij noemt het een wonder dat Van Kessel dit seizoen nog zo veel ganzen weet te vangen. „Het is een zachte winter. De meeste ganzen zien niet de noodzaak naar het warme Nederland te vliegen en blijven in Oost-Europa.” De wilde ganzen die ruggelings in zijn schoot liggen, blazen gevaarlijk naar de bioloog.

Plotseling is er opwinding in de hut. Uit het niets zijn drie grauwe ganzen geland op het net. Van Kessel laat de snert voor wat het is en trekt zonder pardon aan de kabel. Het net schiet uit de grond en de vogels kunnen geen kant meer op.

Grauwe ganzen worden ’s winters minder vaak gevangen dan kolganzen. Wetenschappers zijn er dus blij mee. Voslamber doet al meer dan twintig jaar onderzoek naar hun broedgedrag. Met een juten zak loopt hij achter de ganzenflapper aan het land op. Voorzichtig plukken ze de vogels onder het net vandaan – eentje weet te ontsnappen. Nog geen half uur later zijn ze geringd en alweer vrijgelaten.

„Dat is wat het zo spannend maakt”, zegt Van Kessel met glimmende ogen. „Dat het altijd anders gaat als dan je denkt.”

    • Annemarie Haverkamp