Recensie

Troostrijke beelden van wuivend riet

Beeldende kunst De Amerikaanse beeldhouwer Martin Puryear maakt het leven overzichtelijk maar niet simpel. Zijn sculpturen, nu te zien in Museum Voorlinden, vormen een ode aan het verloren verbond tussen mens en natuur.

Nightwatch (2011) Foto Glenstone Museum, Potomac, Maryland/Matthew Marks Gallery

Hé kijk, de muts van Grote Smurf. Aan het einde van de eerste zaal van de Martin Puryear-expositie in Museum Voorlinden in Wassenaar staat een groot, rood, houten beeld met een vorm die zich moeilijk laat definiëren. De muts van Grote Smurf komt dichtbij, maar het object lijkt ook wel een beetje op een rode walrus die zichzelf naar binnen heeft gerold of op het zogenaamde Frygische hoofddeksel, een vrijheidssymbool – dat dus weer verrassend veel op de Smurfenmuts lijkt.

Maar hoe langer je kijkt, naar het logge volume, naar het slim opgebouwde hout, naar het harde rood dat net niet helemaal dekkend is, hoe meer je beseft dat geen van die omschrijvingen het beeld recht doet. Puryear heeft een nieuw wezen geschapen dat bekend lijkt, maar dat zich tegelijk aan bestaande formuleringen onttrekt. In de beeldende kunst is er geen goed woord voor, in taal zou je het poëzie noemen.

In zulke poëtische ongrijpbaarheden is de Amerikaanse beeldhouwer Martin Puryear (1941) op zijn best. Maar iets anders is nog belangrijker: lopend over zijn eerste Europese tentoonstelling, met meer dan twintig grote werken, werd ik me meer en meer bewust van de melancholie die in de ruimtes hangt, of nog beter: de nostalgie. Eerst dacht ik dat dit kwam door Puryears vele verwijzingen naar ambachtelijkheid: er wordt in zijn beelden een hoop gevlochten met rotan en cederhout, er staat een beeld dat bijna helemaal uit wilgentakken is opgetrokken en hij verwijst naar ouderwets houten gereedschap. Neem Brunhilde (1998-2000), dat nog het meest lijkt op een omgekeerde mand of muts die is vervaardigd door het ‘vlechten’ met lagen cederhout. Of het gigantische Desire (1981), waarin een enorm wiel door een wiebelige, boomachtige stang wordt verbonden met een soortgelijke ‘vlechtmand’ die vele meters verderop staat – vlechten, hout, handwerk. Zijn beelden zijn bijna allemaal vervaardigd van hout, zo schijnbaar achteloos virtuoos bewerkt en gemodelleerd dat je zomaar over het hoofd zou kunnen zien hoeveel tijd, liefde en vakmanschap er in elk beeld zit – dat Puryear niet met die virtuositeit te koop loopt, pleit overigens zeer voor hem.

Big Phrygian (2010-2014)

Foto Glenstone Museum, Potomac, Maryland/Matthew Marks Gallery

Poëtische kracht

Het gaat hem dan ook om iets anders. Puryears beelden ontlenen hun poëtische kracht in de eerste plaats aan de associatie met objecten die je nooit hebt gezien, verlangens naar een verloren tijd. Maar daar zit ook een andere kant aan: zijn werk is diep doordesemd met een nostalgisch verlangen naar de tijd waarin je als individu je eigen wereld nog kon beheersen. Dat begint al met die ambachtelijkheid (lekker autonoom vlechten en schaven en hout kappen), en komt ook terug in kleine bedriegertjes-achtige grapjes, zoals bijvoorbeeld in het beeld Le Prix, dat bestaat uit een grote, rolmaat-achtige doos waaruit een ketting de lucht in steekt die fier de zwaartekracht trotseert – wat dus een leuke illusie is als je even gelooft dat de ketting van ijzer is, maar die spat meteen uiteen als je beseft dat het gewoon hout is – de beeldhouwer als een goochelaar die de natuurkrachten tart.

Nostalgisch primitivisme

Maar al die schijnbaar losse elementen krijgen pas echt betekenis als je beseft dat Puryear met zijn beelden eigenlijk een diep soort romantisch nostalgisch primitivisme uitdraagt. C.F.A.O., het eerste beeld op de tentoonstelling, bestaat uit een complexe stapeling van houten balkjes (bouw je eigen toren), een masker dat verwijst naar de Afrikaanse Fang-cultuur en een oude kruiwagen – net alsof je het filiaal van een wereldwinkel in een Amish-dorp binnenloopt. En zo gaat het door: gestileerde valken, een gevlochten yurt, wuivend riet. Puryears werk is een grote ode aan het verloren verbond tussen mens en natuur en tegelijk een subtiele poging dat verbond te herstellen.

Foto Glenstone Museum, Potomac, Maryland/Matthew Marks Gallery

Escapisme, kortom, in optima forma.

Maar is dat erg? Op het moment dat dat escapisme echt tot je doordringt, begrijp je meteen waarom dit Puryears eerste grote Europese tentoonstelling is, want hij moet overduidelijk weinig hebben van progressie of vernieuwing (al vervaardigt hij zijn beelden ongetwijfeld met zeer geavanceerde houtbewerkingsmachines). Aan de andere kant kun je je evengoed afvragen of Puryears nieuwe, originele blik op herinnering en nostalgie ook niet een vorm van progressie is. En laat ik eerlijk zijn: soms, op een dag dat het miezert en het leven tegenzit, is zo’n expositie, zo’n wereldbeeld héél prettig. Precies omdat Puryear het leven overzichtelijk maakt maar niet simpel – noem het de troost van de goede traditionele poëtische beeldende kunst, een genre waar de meeste hedendaagse musea trouwens opvallend slecht raad mee weten.

Escapisme als ideologie.

En ineens realiseerde ik me dat dit meteen de perfecte samenvatting van het Voorlinden-programma is. Dat werkt regelmatig goed en prettig, zoals met de harde, verleidelijke doeken van Ellsworth Kelly of de geweldige, pesterige, speelse installaties van Martin Creed. Af en toe blijft het ook hangen, zoals met Michael Johanssons flauwe minimalistische stapelingen van keukenkastjes, koffers en koelboxen, die de afgelopen maanden waren te zien. Voorlinden als het museum van escapisme.

Soms, als de wereldbranden heftig worden en het nieuws dwingend, voelt zo’n beleid behoorlijk laffig, maar even zo vaak bieden een semi-Smurf en een zwevende ketting, een yurt en wuivend riet ook troost en verzoening. Ga daarom vooral Puryear kijken, de komende maanden – het miezert vast nog wel even verder.