Recensie

Pastorale sferen en serene jubelstemmingen in Bachs cantates

Na 35 jaar artistiek leiderschap neemt dirigent Jos van Veldhoven aan het eind van dit seizoen afscheid van de Nederlandse Bachvereniging. Voor het zover is, toert hij deze week door het land met de allermooiste Bach-cantates.

Een eerder concert van de Bachvereniging. Foto Anna van Kooij

Als cantor van de Thomaskirche in Leipzig componeerde Johann Sebastian Bach wekelijks een cantate voor de zondagse eredienst. Uit de ruim tweehonderd bewaard gebleven partituren selecteerden Jos van Veldhoven en de Nederlandse Bachvereniging er zes, verdeeld over twee programma’s.

In TivoliVredenburg verschenen er dinsdagavond drie op de lessenaars. Onder meer Bleib bei uns, denn es will Abend werden (BWV 6), waarin Bach aanknoopt bij het verhaal van de twee Emmaüsgangers.

Net als in de chiaroscuro-schilderijen die Rembrandt en Caravaggio op het thema maakten, kenmerkt de cantate zich door een symboliek van donker en licht. Met volle basregisters en prominent schrijnende hobo’s liet Van Veldhoven de c-klein-‘Finsternis’ van het openingskoor net een nuance donkerder klinken. Niettemin bleef de koorklank overal transparant, ook in het polyfone middendeel.

Een dansant aangezette drietelsmaat en het kristallijnen stemgeluid van de voortreffelijke countertenor Tim Mead gaven de alt-aria Hochgelobter Gottessohn een lumineuze gloed. In de koraalbewerking Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ lieten de sopranen hun langgerekte cantus firmus gloeien als een zonnestraal.

In Du Hirte Israel, höre (BWV 104) voert Bach Christus ten tonele als de minzame herder van zijn kudde gelovigen. De muziek baadt naar analogie in een pastorale sfeer van kabbelende hobo’s en doedelzakachtige bourdon-tonen in de laagte.

Van Veldhoven liet in het openingskoor de zanglijnen breed welven op sereen meanderen triolen. Jammer dat tenor Daniel Johannsen, elders indrukwekkend met zijn doorvoelde tekstexpressie, wat op zijn tenen liep in de aria Verbirgt mein Hirte sich zu lange.

In Wachet auf, ruft uns die Stimme (BWV 140) heerste van begin tot eind een majesteitelijke jubelstemming. Van het subliem vertolkte openingskoor tot de puntig gezongen duetten door sopraan Maria Keohane en bas Matthew Brook. In het plechtig traag genomen slotkoraal zweefde de violino piccolo van concertmeester Shunske Sato als een aureooltje boven koor en orkest.

    • Joep Christenhusz