Je verstand verlezen

Ewoud Sanders

Foto’s Istock

Jongeren zijn het afgelopen decennium steeds minder gaan lezen, zo bleek onlangs uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dat wil zeggen: ze lezen vrijwel de hele dag op hun mobiele telefoon, maar nauwelijks boeken.

Van allerlei kanten hoor ik dat lezen vroeger veel meer door ouders werd gestimuleerd. Dat kan onmogelijk helemaal waar zijn, want het Nederlands kent opvallend veel uitdrukkingen om lezende kinderen te ontmoedigen.

Hier een greep, die grotendeels is ontleend aan Als m’n tante een snor had (1995) van Inez van Eijk. In dit boek verzamelde Van Eijk onder meer honderden ‘afhouders’ die een tamelijk onthutsend beeld geven van de opvoeding in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw.

Wat kregen lezende kinderen indertijd zoal te horen? Dat boek loopt niet weg. Ga buiten spelen, verstandmuseum! Ga iets nuttigs doen met je tijd. Je bederft je ogen (lezen bij slecht licht). Je hebt het ene boek koud uit, of je begint al aan een volgend. Je kunt nog lang genoeg lezen in je leven! Je leest nog eens hemel en aarde aan elkaar vast. Altijd met je neus in de boeken, je verleest je hele verstand, leesmuseum. Leg dat leesboek nou eens weg en ga wat doen! Lezen? Dat is voor vuile keukenmeiden, laat jij je handen maar liever wapperen. Wat je eraan vindt! Weet jij eigenlijk wel wát je leest?

Er zijn er vast meer, aanvullingen welkom op Twitter (@ewoudsanders) of per mail: post@ewoudsanders.nl

Etenstijd

Vanwege een lelijke lekkage had ik onlangs dringend een loodgieter nodig. Ik kwam uit bij een vakman van achter in de zestig. Toen ik hem vroeg hoe laat hij kon komen, antwoordde hij: „Ik ben er rond etenstijd.” Voor de zekerheid vroeg ik hoe laat hij precies bedoelde. „Rond twaalf uur”, verduidelijkte hij.

Volgens de Dikke van Dale heeft etenstijd twee betekenissen: 1. tijd om te gaan eten; 2. tijd waarop men pleegt te eten.

In mijn jeugd aten wij meestal stipt om zes uur ’s avonds. In mijn eigen gezin waren we daar flexibeler in, maar dan nog: etenstijd blijft voor mij ergens tussen zes en acht uur ’s avonds. Avondeten dus.

Ik verwachtte dat Van Dale consequent zou zijn en dat lunchtijd zou zijn gedefinieerd als: 1. tijd om te gaan lunchen; 2. tijd waarop men pleegt te lunchen. Maar in feite staat er: ‘tijd(ruimte) rond het middaguur waarin men kan lunchen’.

Lekker ouderwets woord, tijdruimte: het betekent onder meer ‘tijdspanne’. En mooi ook dat je volgens Van Dale rond die tijd kunt lunchen; je kunt ook iets anders gaan doen.

Ik ken zelf geen mensen die warm eten tussen de middag, maar kennelijk komt dit nog voor. En kennelijk zijn er mensen die dit etenstijd noemen.

Overigens zeiden sommige mensen vroeger „ik kom straks thuis voor de koffietafel”, waarmee ze een (koude) lunch bedoelden. Dit heeft zelfs een werkwoord opgeleverd, namelijk koffietafelen.

Natuurlijk heb ik ook schafttijd (‘tijd gedurende welke geschaft wordt’), koffietijd (‘tijd waarop men gewoonlijk koffie drinkt’), theetijd (‘vaste tijd van theedrinken’) en borreltijd (‘tijd dat men een borrel drinkt, gewoonlijk voor het avondmaal’) nog even opgezocht in de Dikke van Dale. Het lijkt mij vooral de hoogste tijd dat dergelijke lemma’s op elkaar worden afgestemd en dat ze worden gemoderniseerd.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders