Recensie

Een mond vol smeltende ijsbollen

Tentoonstelling

Kunstenaar Sophie Podolski was pas 21 jaar toen ze zelfmoord pleegde. Haar nalatenschap, veertig jaar bewaard in een paar schoenendozen, is nu te zien in Brussel.

Sophie Podolski, Lumière Verte, 1970-1971

Het begon met een paar schoenendozen die veertig jaar in een kast hadden staan verstoffen. Er werd gemaild, getelefoneerd, een afspraak kon worden gemaakt. Dat was op zichzelf al een wonder. Want zeg nu eerlijk: welke museumdirecteur, galeriehouder of curator gaat tegenwoordig nog in op het verzoek om eens naar de inhoud van een oude schoenendoos te kijken? Maar bij Wiels in Brussel zeiden directeur Dirk Snauwaert en curator Caroline Dumalin tegen multimedia-kunstenaar Joëlle de la Casinière (1944): laat maar komen die dozen. De inhoud werd bekeken en gewogen. De dozen bevatten een schat.

De la Casinière bleek de hoedster te zijn van het beeldend oeuvre van de in 1974 aan de gevolgen van zelfmoord overleden Sophie Podolski. Podolski was pas 21 jaar oud toen ze stierf. In een niche van Franse avant-gardistische literatuur- en literatuurkritiek was ze een beetje bekend met haar aan alle kanten overkokende, surrealistische, poëtische, soms onbegrijpelijke stream of consiousness-achtige dagboek Le pays où tout est permis. Dat er tekeningen in dat boek stonden: vooruit. Maar dat Podolski tussen haar vijftiende en eenentwintigste ook zo’n tweehonderd tekeningen, strips, grafiek en handschrift-tekeningen maakte, was onbekend.

Een selectie van honderd daarvan is nu in Wiels te zien. Daarnaast wordt een mooie, breekbare video op basis van super-8-filmpjes getoond, die De la Casinière maakte over de kunstenaarscommune Montfaucon in Brussel waar Podolski verkeerde. In de film is Podolski tussen alle andere freakies – zoals zij ze noemde – te zien en, in trance, onverstaanbaar prevelend te horen.

Het was de tijd van de anti-autoritaire opvoeding, revolte en verzet tegen kapitaal, de burgerlijke moraal en de Kerk. Alles moest mogen en kunnen: vrije seks met iedereen, ongelimiteerd drugsgebruik, carrière – weg ermee. In Montfaucon gleed het leven in een roes van speed, lsd, hasj, pillen, alcohol en kunstzinnige experimenten voorbij.

Voor Podolski, die leed aan schizofrenie, moet die grenzeloosheid hemel en hel tegelijk zijn geweest. Vaak ging het zo mis dat ze moest worden opgenomen in een psychiatrische kliniek. Kwam ze daaruit, dan vierde de creativiteit hoogtij, tot de volgende depressie zich weer aandiende. Snelheid (‘speed’, zoals ze op haar tekeningen vaak schrijft) betekent voor haar zowel verdoving als verrijking.

Kleine academie

Als je alleen de feiten van haar leven bekijkt, is het zo: je knipt met je vingers en het is voorbij. Geboren in 1953 ging ze vanaf haar twaalfde al niet meer naar school. Haar moeder – een keramiste – liet haar langskomen op de kleine academie in Brussel waar ze les gaf. Daar rommelde Podolski een beetje tussen iedereen door. Ze bezat geen enkel certificaat.

De tentoonstelling is vol, want Podolski’s werk is vol – soms van linksonder tot rechtsboven helemaal vol getekend en geschreven, en wat geschreven is, verandert in een beeld, een cijfer, een slang, een voet van een hybride wezen. Haar werk is op het eerste gezicht typisch voor naïeve kunst of art brut. Maar kijk je scherper, dan zie je dat Podolski’s werk die termen met gemak omzeilt. Haar beste werken schitteren van kleur, de pen of het potlood danst vrijmoedig én verbeten over het papier, en de composities zijn in hun beredeneerde grenzeloosheid harmonieus. Podolski’s universum is zowel grimmig (met hartenkreet ‘je veux’ in groeiend korps) als geestig; zowel kritisch op zichzelf – met een ‘gek hart dat banjo speelt’ – als mild ironisch over anderen.

Podolski werkt vaak in fijnzinnige, lange series met nonchalant gewelddadige hoofdpersonen. Ook die consequentie maakt haar een buitenstaander in de naïeve kunst. Haar inspiratie komt van popmuziek – natuurlijk Frank Zappa en Jimi Hendrix – maar ook van de kunst die ze in het koloniale museum in Tervuren ziet, van strips, Charles Manson, gewoon een fijne ijscokar met smaken ijs in alle kleuren, lsd en natuurlijk oosterse mystiek.

Haar handschrift is figuratief en grafisch. Soms vermoeit ze zichzelf én de kijker met eindeloze droedels. Soms ook experimenteert ze met een prachtige minimalistische reeks calligrafische inktvlekken die niet zoals bij Rorschach-testen iets moeten voorstellen, maar er gewoon zijn (Z.T. 1971-1973). Het verband met de mythologische wereld van de Engelse kunstenaar William Blake ligt voor de hand. Maar waar Blake zwaar over the top religieus is, zoekt Podolski de extase in een persoonlijke mythologie.

Onbekend fabelrijk

Haar mooiste serie is Lumière Verte (1970-1971) en gaat – heel oppervlakkig gezien - over een meisje dat zichzelf ‘met aandrang’ tracteert op ijs omdat ‘de wanhoop om zich heen’ grijpt. De serie bestaat uit acht met een mierfijn pennetje getekende en geschilderde tekeningen die een onbekend fabelrijk voorstellen dat zowel van hier en nu is als van ver weg.

Een mond vol smeltende ijsbollen wedijvert met een ijsetende slang met borsten. Een futuristische acid-automaat geeft het stokje door aan een lichtgevend potlood. En tussen dat alles beweegt een kruising tussen Pippi Langkous en Eucalypta de Heks: haar huid is knaloranje, haar vlechten eveneens, haar tanktop zakt onsexy af van haar schouders en haar ellenlange handen harken vruchteloos naar vleermuizen en vlinders.

Het werk in Wiels pulseert als één grote kloppende, trekkende, voortjakkerende hartspier. Als ‘reis zonder reiziger’, zoals ze zichzelf eens omschreef, schreef-tekende-dichtte Podolski altijd. Die reis leidde tot een einde. Het resultaat is dit oeuvre – klaar, maar voor altijd incompleet.