De Oranjegekte in Nederland begon op buitenijs

Hoewel het langebaanschaatsen internationaal steeds breder wordt, heerst Nederland al jaren in de sport. De fascinatie voor het glijden op ijs gaat eeuwen terug in de Lage Landen.

Schaatsliefhebbers trekken in januari vorig jaar een baantje op de Ankeveense plassen. Foto Koen van Weel/ANP

Ongekend: Jillert Anema, coach in een kleine sport in een klein land, leest op primetime bij tv-zender CNBC het grote Amerika de les. „Jullie hebben veel te veel aandacht voor een belachelijke sport als American Football. Jullie verspelen zoveel talent in een sport waarin het er om gaat elkaar te verwonden, te doden.” Nee, dan zijn eigen sport, schaatsen. „Als je ooit met 50 kilometer per uur over het ijs bent gegleden, wil je die beweging perfectioneren. Dan raak je verslaafd. Twee schaatsers strijden voor de winst, gaan zo hard ze kunnen in een very honest sport.”

Sotsji, februari 2014, de hele wereld kijkt vol verbazing toe hoe Nederland maar liefst 24 olympische medailles wint in één sport: 23 op de langebaan, eentje in het shorttrack. „Dat halen jullie nooit met basketbal”, sart Anema. Van Amerika tot Rusland, iedereen zoekt een verklaring voor de Nederlandse dominantie op het ijs, vergelijkbaar met de Chinezen en tafeltennis of de Jamaicanen en de sprintnummers in de atletiek. Karikaturen verschijnen in de wereldpers, van een volk dat ’s winters massaal over bevroren kanalen schaatst, aangevoerd door hun koning, die ooit een heroïsche tocht langs elf Friese steden op één dag volbracht. En in Sotsji gewoon tussen de oranje menigte de schaatssuccessen viert.

Waar precies voor het eerst werd geschaatst, op rendierbotten, kan zelfs schaatshistoricus Marnix Koolhaas niet achterhalen in zijn standaardwerk Schaatsenrijden, een cultuurgeschiedenis’. Wel de oudste metalen schaats: Dordrecht, 1225. De eerste afbeelding van een schaatser: in een Vlaams psalmenboek uit 1325. Er zijn beroemde schaatsschilderijen, van Jeroen Bosch tot Hendrick Avercamp, ‘de Rembrandt van het ijs’ in de zeventiende eeuw. In 1865 verscheen in Amerika het boek Hans Brinker or the silver skates. De Friese schaatshistoricus Hedman Bijlsma verzamelde meer dan 600 edities in 25 talen. Holland-promotie.

Elfstedentocht

Wie 1963 zegt, zegt Elfstedentocht. De extreemste editie ooit. Winnaar Reinier Paping trotseert sneeuw, kou en een straffe noordooster. Van de tienduizend toerrijders bereiken 69 de finish. In 2002 verschijnt een boek, zeven jaar later een film: De Hel van ’63. „De ultieme culminatie van ijs en emotie”, verklaart Koolhaas de populariteit van de Tocht der Tochten.

Achter een stoel op het slootje in de buurt, een toertocht op meren en plassen; wie is er niet groot mee geworden? Het genot van glijden over spiegelglad, zwart ijs. Afzien op papijs, sneeuwijs, sinaasappel- of warmevoetenijs. Desnoods een stukje klûnen. Koek en zopie toe, centje voor de baanveger van de plaatselijke ijsclub. Maar als het programma ‘Andere Tijden Sport’ eind 2017 de laatste drie Elfstedenwinnaars – Paping, Evert van Benthem (1985 en 1986) en Henk Angenent (1997) – op natuurijs wil samenbrengen, moet worden uitgeweken naar Canada, waar Van Benthem woont. Het vriest in Nederland al jaren niet of nauwelijks.

‘De coolste baan van Nederland’ heet de ijsbaan die tijdelijk in het Olympisch Stadion van Amsterdam is aangelegd. Daar wordt straks, na de Spelen van Pyeongchang, het WK allround gehouden. In het Rijksmuseum openen schaatskampioenen Ard Schenk en Rintje Ritsma een tentoonstelling van winterprenten, 125 jaar na de eerste wereldtitel van Jaap Eden, op het Museumplein. Bij de supermarkt kun je sparen voor een schaatsles als je genoeg stamppot koopt. Schoolklassen krabbelen een uurtje op het tijdelijke kunstijsbaantje in het winkelcentrum. Heimwee naar vervlogen tijden, schaatsen in de buitenlucht.

Nog vóór de voetbalsuccessen van Feyenoord en Ajax ontketenen Ard & Keessie de eerste oranjegekte in de sport. Van het EK 1966 in Deventer met val en opstaan van Kees Verkerk, tot drie keer olympisch goud voor Ard Schenk in Sapporo 1972. Miljoenen met invulschema’s thuis voor televisie, met duizenden langs alle ijsbanen in de wereld. Gothenburg, Inzell, Davos en de mooiste van allemaal: Bislett in Oslo, met een sneeuwrandje tussen binnen- en buitenbocht. Nederland bouwt volop kunstijsbanen, geniet van de rivaliteit met de Noren. Zelfs als ‘we’ niet winnen, is het feest. Kou en alcohol verbroederen. ‘Heya Jan Bols!’

De gekte rond Ard en Keessie inspireerde muzikanten:

Schaatsen is al lang een indoorsport. „Dat haalt de charme er wel een beetje vanaf”, vindt Verkerk. Zou het? Drie keer goud voor Yvonne van Gennip op de Spelen van Calgary in 1988. Tien jaar later ‘Timmertje, Timmertje, wat doe je nou?’, de twee gouden plakken van Marianne Timmer in Nagano. En tot genoegen van het schaatsvolk regeren Ireen Wüst en Sven Kramer sinds 2006 over de ijsbanen. Thialf is hun paleis. De populariteit van het schaatsen lijkt niet in te zakken, zoals critici al jaren beweren. 4,5 miljoen mensen zagen Jorrit Bergsma op de olympische tien kilometer Sven Kramer in Sotsji verslaan. De revanche op de Gangneung Oval zal niet veel minder scoren; de olympische kwalificatieraces trokken dagelijks al 1,5 miljoen kijkers.

‘Traditie, schoonheid en opwinding’

Aan de Spelen doen bij het schaatsen 27 landen mee. Een recordaantal, meldt de internationale schaatsunie ISU. Met dank aan de Nederlandse voorzitter Jan Dijkema, die de afgelopen twee jaar vol inzette op wereldwijde ‘development’. Dijkema kan pronken met olympische debutanten uit Colombia en Taiwan, en medaillekandidaten uit Nieuw-Zeeland en België.

De schoonheid van ‘speedskating’ is aan de vooravond van de Spelen zelfs doorgedrongen tot de VS. Saaie sport, als kijken naar het groeien van gras of het opdrogen van verf? The New York Times brengt een ode en signaleert „een overvloed aan traditie, schoonheid en opwinding. Het is er allemaal, in elke race.” Anema kan tevreden zijn.

    • Maarten Scholten