Typisch Haagse grieven over de euro

Toekomst monetaire unie

De Raad van State nodigde (oud-)politici uit om te praten over de euro. Groot is de behoefte aan naleving van de begrotingscriteria.

Oud-minister Jeroen Dijsselbloem spreekt tijdens het symposium Nederland en de toekomst van de euro in de Gotische zaal van de Raad van State. Foto Bart Maat/ANP

Meer dan honderd pagina’s aan beschouwingen over de toekomst van de euro leverde de Raad van State in november aan de Tweede Kamer. „Opties” had de Kamer gevraagd voor een beter functionerende muntunie. Te midden van een lawine aan voorstellen, van onder meer de Franse president Macron en van de beoogde Duitse coalitie, groeit in Nederland het besef dat een nieuwe, mogelijk grote verbouwing van de euro aanstaande is. Maar politiek Den Haag zoekt nog tastend de weg in dit debat, zo bleek maandag tijdens een symposium bij de Raad van State naar aanleiding van het rapport.

Een waaier van ideeën is inmiddels de revue gepasseerd. Een Europese minister van Financiën. Een speciale begroting voor de eurozone. Een Europees Monetair Fonds. Een speciaal eurozoneparlement. Die kwamen maandag ook allemaal langs in de imposante Gotische Zaal van de raad.

Naleven

Maar over één ding maakten de aanwezigen zich het meest druk: de begrotingsregels en vooral de slechte naleving daarvan. Deze typisch Nederlandse grief wordt ook in het rapport van de Raad van State uitgebreid behandeld. De raad stelt dat met name de ‘preventief’ bedoelde begrotingsregels slecht worden nageleefd. Alle lidstaten, op Finland en Luxemburg na, hadden in de jaren 1999-2013 structurele begrotingstekorten die in strijd waren met de afspraken voor de middellange termijn.

Jeanine Hennis, voormalig minister van Defensie en nu financieel woordvoerder voor de VVD-Kamerfractie, was het felst. „Ik erger me mateloos.” Geen wonder, zei ze, dat het vertrouwen „ver te zoeken is”. Wat Hennis betreft moet de handhaving van de begrotingsregels „gedepolitiseerd” worden. Dat wil zeggen: op afstand worden geplaatst van de Europese Commissie, die ze een „politiek” orgaan noemde.

Begrotingscriteria

In die richting denkt ook Jeroen Dijsselbloem, tot vorige maand voorzitter van de Eurogroep, maar nog volop actief in het debat. De PvdA’er vindt dat in elk geval de vaststelling of een lidstaat de begrotingscriteria schendt – zoals een staatsschuld van maximaal 60 procent van het bruto binnenlands product en een begrotingstekort van maximaal 3 procent – door een „onafhankelijk orgaan objectief moet worden vastgesteld”. De Europese Commissie moet dan maar bepalen wat de eventuele sancties zijn. Dijsselbloem sprak ontspannen over het thema waar hij vijf jaar lang een politieke hoofdrol in vervulde. „Een heerlijk gevoel”, zei hij, „vrij van ministeriële verantwoordelijkheid”.

In tegenstelling tot Hennis en anderen vond Dijsselbloem dat de Commissie speelruimte moet blijven houden om landen wel of niet te straffen. Het gevaar van kapotbezuinigen van een broze economie ligt op de loer bij strenge automatische sancties. Als de Commissie tijdens de crisis precies volgens het boekje had gehandeld, „dan was de boel op een andere manier weer ontploft.”

Bart Snels, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, hekelde de Nederlandse „preoccupatie met schuld en boete” bij de begrotingsregels. „Het is beter te kijken naar de onderliggende economische tekortkomingen van een land, en dáár wat aan te doen.”

Wim Kok vertelt

Op veler verzoek kreeg een van de grondleggers van de Economische Monetaire Unie het woord: oud-premier Wim Kok (PvdA). Hij erkende, maar relativeerde ook, de weeffouten die in 1992 zijn gemaakt toen besloten werd de euro in te voeren. „De wereld zag er toen echt heel anders uit.” Na de val van de Muur heerste „eenheidsgeloof”. Lang duurde dit niet. In 2003-2004 waren het de „grote sterke jongens” Duitsland en Frankrijk „die de regels aan hun laars lapten”. Dus ja, dachten de kleinere lidstaten volgens Kok, „waarom zouden wij ons er dan wel aan houden?”

Het Nederlandse ongemak over de euro als munt zonder harde regels is sindsdien niet meer echt gaan liggen. Andere landen maken zich meer zorgen over, bijvoorbeeld, de beperkte middelen van de eurozone om op economische schokken ter reageren.

Het kabinet-Rutte III wil geen nieuwe geldstromen van noord naar zuid en ziet meer in marktdiscipline. Uit de klauwen gelopen staatsschulden van crisislanden moeten voortaan worden geherstructureerd, zodat beleggers die de staatsschuld in bezit hebben, verliezen nemen. Dan zou het euronoodfonds ESM, een pot geld van 500 miljard euro, minder hoeven uitkeren. Dijsselbloem gaf het kabinet „ter overweging” om niet langer in te stemmen met ESM-leningen als niet eerst schulden worden geherstructureerd. „Dat is wel wat ruig, maar het is wel een manier om druk te zetten op de onderhandelingen.”

Centraal in het toekomstdebat over de euro staat een club van 177 mensen in Luxemburg die landen als Griekenland helpt: het ESM. Binnenkijken bij het Europees Monetair Fonds in wording.

De technische discussies leidden bijna af van de hoofdboodschap van het rapport van de Raad van State: de euro is van levensbelang voor Nederland en moet worden versterkt. Niemand in de Gotische Zaal wilde uit de euro stappen, alhoewel de Kamerleden Renske Leijten (SP) en Lammert van Raan (Partij voor de Dieren) wel wat zagen in „parallelle munten” voor landen die dat willen. De Kamerfracties die tegen de euro zijn, PVV en Forum voor Democratie, lieten bij de Raad van State verstek gaan.