Recensie

Een saai spokensanatorium

Ondanks ideale ingrediënten gaat spookfilm ‘Winchester: The House That Ghosts Built’ aan z’n eigen tergende traagheid ten onder.

Helen Mirren als Sarah Winchester.

Dertien spijkers zijn er nodig om geesten veilig achter slot en grendel te houden. Aldus Sarah Winchester (Helen Mirren). Ze is de weduwe van de laatste telg van de familie Winchester; de wapenfabrikant die een van de eerste repeteergeweren in productie nam en daarmee een beslissende rol speelde in de Amerikaanse Burgeroorlog.

Winchester: The House That Ghosts Built lijkt vooral een vehikel om Mirrens duistere kant te kunnen etaleren. Het is niet de eerste horrorfilm waarin een uitvinding zich tegen zijn makers keert; al zit het hier net een beetje anders. Sarah, die echt bestaan heeft, is ervan overtuigd dat de geesten van de door Winchesters om het leven gekomen soldaten in haar immense Californische huis komen spoken. Ze denkt dat ze een schuld heeft in te lossen, dus sluit ze de geesten op in de meer dan honderd kamers van haar immer uitdijende huis. Een soort spokensanatorium. En voor een spookhuisfilm een ideaal decor, met z’n eindeloze (geheime) gangen en doorgangen, trappen, hellingbanen en balustrades.

Winchester is bijna een omgekeerde spookfilm, zoals The Others, waarin het niet direct draait om de schokeffecten, maar om de psychologie van zo’n leven gedicteerd door demonen. Een door zijn eigen duivels geplaagde dokter wordt ingehuurd om te kijken of de oude dame ze nog wel allemaal op een rijtje heeft. Ondanks deze ideale ingrediënten gaat Winchester aan z’n eigen tergende traagheid ten onder.

    • Dana Linssen