Opinie

    • Ellen Deckwitz

Dag lieve Menno

Ellen

Ik weet de eerste 24 uur na een overlijdensbericht nooit wat ik met mezelf aan moet. Je wacht op instructies zoals bij elke andere ramp, maar er is geen enkel advies dat de boel er beter op maakt. Praten helpt niet omdat je boos wordt dat er al in de verleden tijd over de overledene wordt gesproken, en ongewild komt er dan bovendien een storm aan herinneringen vrij, een tsunami vol nagedachtenis, waar je je niet tegen kan verzetten.

Het erge is dat ik me dan niet de Grote Ernstige Gebeurtenissen met zo’n persoon herinner, maar details die de ernst van de situatie ondermijnen: hoe een oudoom altijd na het ontbijt een snor vol ei had of hoe mijn grootmoeder zich tijdens een nachtmis eens stierlijk verveelde en toen fluisterde dat ze in plaats van de Heilige Geest liever een geestige heilige had en zo hard om haar eigen grap moest lachen dat ze daarmee de hele dienst ontregelde.

Jaren geleden was ik met Menno Wigman op weg naar een optreden en tijdens de treinrit bekeek hij enkele Duitse vertalingen van zijn werk. Op een zeker moment begon hij te gniffelen. De vertaalster had de beginregel van zijn gedicht Zwembad Den Dolder nogal creatief vertaald. Het vers begint met ‘Er zijn gedachten die fascistisch zijn’, maar in plaats van ‘fascistisch’ te vertalen met ‘Faschist’ had ze gekozen voor ‘Fabelhaft’, ‘fantastisch’. Menno kwam niet meer bij, vooral omdat de vertaalster Duits was en zo links als een bruinkoolsubsidie. Hij had zo hard de slappe lach dat op een gegeven moment de hele coupé meedeed.

Toen ik afgelopen donderdag hoorde dat Menno er niet meer was, kwamen er tientallen van dit soort herinneringen in me op: hoe we vanuit de coulissen grapjes maakten over die ene persoon in het publiek die zijn mobiel maar niet weglegde, hoe we onze grote liefde, de poëzie, belachelijk konden maken. Hoe tijdens een literair festival een collega van ons zo teut werd dat Menno en ik hem samen naar zijn hotelkamer moesten tillen.

Ik dacht aan de talloze uren die ik niet met hem had doorgebracht, maar dat wel had moeten doen. Omdat het kon, omdat hij een geweldig mens was, een brein op pootjes, poëtisch tot op de atoom.

Ik wou dat ik talent had voor drinken, om alle emoties die in me opkomen aan te lengen tot ze overzichtelijk zijn. Maar het enige wat ik kan doen is herinneringen uitzitten, proberen te leven met het idee dat ik nooit meer met hem zal discussiëren over gedichten, er nooit meer een mail van hem zal komen, over hoe het gaat, wat hij nou weer heeft gelezen. Dat we nog lang niet uitgelachen zijn.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz