Wie verricht er (on)zinnig werk?

Zinloze banen Volgens antropoloog David Graeber hebben steeds meer mensen een baan zonder maatschappelijk nut. Vinden ze dat zelf ook?

Illustratie Kamagurka

Zouden alle verpleegsters en vuilnismannen opgaan in rook, dan zouden de gevolgen catastrofaal zijn. Een wereld zonder leerkrachten en havenarbeiders komt snel in de problemen, zonder sciencefictionschrijvers en muzikanten is het leven minder leuk.

Maar, schreef de Amerikaanse antropoloog David Graeber in 2013 in zijn veelbesproken essay On the Phenomenon of Bullshit Jobs, hoe ernstig zou de mensheid eronder lijden als alle bazen van private-equitybedrijven, lobbyisten, telemarketeers en juridisch adviseurs ineens zouden verdwijnen?

We hádden dankzij de automatisering minder kunnen werken, en we hádden onze vrijgekomen tijd kunnen besteden aan eigen projecten en ideeën. Maar in plaats daarvan tuigden we nieuwe industrieën op (zoals de financiële dienstverlening en telemarketing) en zijn andere uitgebreid, zoals human resources en de pr-sector. En dan zijn er ook nog de banen die deze banen ondersteunen: administratief werk, technische ondersteuning, de pizzabezorger die na een lange werkdag nog langskomt.

Allemaal „bullshit jobs”, vindt Graeber. Zinloze banen. In mei verschijnt zijn nieuwe boek erover (Bullshit Jobs: A Theory). Graeber betoogt daarin hoe het, in zijn ogen, zo ver heeft kunnen komen en pleit ervoor om werk in de zorg en de creatieve sector weer centraal te stellen in onze cultuur. Hoewel nog niet gepubliceerd, blijkt uit de Amazon Best Sellers Rank dat het boek nu al veel besteld wordt. Zijn stelling dat de meerderheid van de westerse bevolking een baan heeft zonder maatschappelijk nut slaat dus aan. In de promotietekst bij zijn boek stelt Graeber zelfs dat van alle banen in de ontwikkelde wereld driekwart dienstverlenend of administratief is, en niets lijkt toe te voegen aan de samenleving.

Illustratie Kamagurka
Illustratie Kamagurka

Maar dat oordeel baseert Graeber niet op hoe de mensen die deze beroepen uitoefenen zélf over het belang van hun baan denken. Arbeidssocioloog Fabian Dekker heeft dat onderzocht. Want: „We laten ons negativiteit aanpraten. Voor je het weet wordt het een self-fulfilling prophecy.” In zijn onderzoek baseerde hij zich op cijfers afkomstig uit een grote, Europese dataset (European Working Conditions Survey, 2015). Twijfelen werkende mensen ‘altijd’ of ‘meestal’ aan het belang van hun werk, zo definieerde Dekker, dan hebben ze een ‘bullshit job’. De resultaten worden deze maand gepubliceerd in het economievakblad ESB.

Wat blijkt: slechts 5 procent van de Nederlandse werkenden valt in die categorie. Daarmee zit Nederland aan de lage kant, vergeleken met andere Europese landen. In Oostenrijk en Spanje twijfelen bijvoorbeeld veel meer werkenden aan het nut van wat ze doen. Respectievelijk 13 en 12 procent.

Het valt dus heel erg mee met die bullshitjobs, concludeert Dekker. „We moeten ons geen onbehagen laten aanpraten door mensen als Graeber.” Al geeft ook hij toe dat 5 procent in absolute cijfers ook weer niet zó weinig is: bijna 8,6 miljoen Nederlanders werken, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat betekent dat zo’n 430.000 mensen vinden dat ze zinloos werk doen.

Illustratie Kamagurka
Illustratie Kamagurka

De theorie van socioloog Abram de Swaan, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, kan de grote discrepantie tussen Graebers visie en die van werkenden verklaren – ten gunste van Graeber. Hij stelde dat het onmogelijk is te onderzoeken hoe werknemers hun werk beoordelen. Hij voerde vraaggesprekken met fabrieksarbeiders (gepubliceerd in het boek Een boterham met tevredenheid uit 1972) en concludeerde daaruit onder meer dat hoe ‘stompzinnig’, ‘geestdodend’ of ‘nutteloos’ hun werk ook was, de meerderheid tevreden was. Hoe kun je tevreden zijn als je achtduizend keer per dag dezelfde hendel moet overhalen, schreef De Swaan. Het antwoord: de fabrieksarbeider weet niet beter. Hij heeft zich geschikt en aangepast aan de omstandigheden.

Toch vindt Fabian Dekker het aanmatigend voor anderen te bepalen dat zij onzinnig werk verrichten. Je kunt het niet objectief beoordelen, maar je kunt het de werkenden wel degelijk zelf vragen. Bovendien: „Graeber houdt geen rekening met wat zinvol is voor de maatschappij als geheel. Dan vergeet je dat werk, behalve inkomen vergaren, nog meer functies heeft – zoals sociaal contact en zelfrespect.” Sociaal kapitaal, zegt Dekker, is een belangrijke voorspeller voor politieke rust en vaak ook voor een betere economie en een hoger bbp.

Is dit het nu?

Maar de cijfers uit Dekkers onderzoek kunnen ook een bevestiging zijn van De Swaans stelling dat mensen zich conformeren aan werkomstandigheden. Jonge mensen vinden vaker dat ze zinloos werk doen. Dekker: „Zij hebben nog hoge verwachtingen en vragen zich vaker af: is dit het nu?” Eenmaal ouder hebben ze zich wellicht aangepast aan de realiteit.

Overigens is het ook niet ondenkbaar dat het aantal mensen dat twijfelt aan het nut van zijn werk groter is dan 5 procent. Het aantal ‘hybride werkers’ neemt toe. Zij zijn naast hun baan in loondienst iets gaan doen wat ze wél van belang vinden en vulden op de vragenlijst daarom niet in dat ze twijfelen aan de zin van wat ze doen. En dit zijn, zegt Dekker, bij uitstek mensen die uit hun vaste baan niet voldoende zingeving halen. „Die worden bijvoorbeeld hobbyfotograaf naast hun werk in de financiële dienstverlening.”