Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Wandeling

Mijn vader was een wandelaar. De laatste vijftien jaar liep hij iedere dag, weer of geen weer, hetzelfde rondje door Velp. Aan het eind, na de eerste bestralingen, in een lichtgevend hesje dat hij van mijn moeder aan moest omdat ze bang was dat ze hem anders niet zouden zien liggen als hij van de dijk zou waaien.

Nooit week hij af van zijn route, hij deed er altijd 1 uur en 25 minuten over.

Hij was niet bang om in herhaling te vallen, dat had hij een leven lang bewezen.

Veertig jaar naar hetzelfde kantoor.

Veertig jaar dezelfde broodtrommel onder de snelbinders.

Veertig jaar twee bruine boterhammen met kaas, een stuk ontbijtkoek en een appel.

Hij was ook niet bang om het nergens over te hebben.

Zijn laatste wandeling liep ik mee.

Ervoor, ernaast, erachter, hopend op een gesprek dat niet kwam.

Over de zin van het leven voor mijn part.

Nee, het ging over een tak die van een boom was gewaaid en die hij de dag ervoor op het pad had zien liggen.

„Benieuwd of die er nog ligt.”

Hij poepte die middag in zijn broek, het druppelde uit zijn broekspijp.

Bomen waren zijn lievelings, hijgde mijn vader. Hij wilde bomen op zijn rouwkaart.

Ik zag het en zei niets.

Hij begon ervan te praten en sneller te lopen, zo snel kon hij officieel niet meer. Ik had hem kunnen afremmen, maar gunde hem ook zijn waardigheid. Bomen waren zijn lievelings, hijgde hij. Hij prefereerde ze boven mensen en dieren. Hij wilde bomen op zijn rouwkaart, het liefst de bomen uit Biljoen.

Hij stopte even, hield zich vast aan een auto.

Daarna door: Gasthuislaan – Overhagenseweg – onze straat.

Geen zwart-witfoto, in de herfst waren bladeren het mooist, geel-oranje.

Thuis met de jas nog aan naar het toilet.

„Een boom is duidelijk”, zei hij terwijl hij de deur dichttrok.

Ik zei in de keuken tegen mijn moeder wat er gebeurd was en dat hij bomen op zijn rouwkaart wilde. Meteen spijt, ik wist: nu mag hij nooit meer wandelen.

Zaterdag liep ik met mijn oudste dochter (2) door het nieuwe dorp.

Van niets naar nergens, of beter: van de ene kant naar de andere en terug want het is een lintdorp. Ze begroette de gewone dingen waar ik geen oog voor heb met gillend enthousiasme.

Water! Hond! Wolk! Eend! Vogel!

Een beetje zoals hij de natuur tijdens al dat gewandel ervaren moet hebben, maar ik dacht pas aan hem nadat ze in haar broek had gepoept en voor me wegrende.

„Geen poep! Geen poep!”

Ik zag een boom. Als ze daar stopte, zou ik haar pakken en zeggen dat bomen duidelijk zijn, maar ze liep er voorbij.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen