Column

Poëzie hoeft niet te troosten, het mag wel

‘Wat bijzonder”, zei ik tegen de eigenaresse van een verrukkelijk vakantiehuisje met goedgevulde boekenkast, „dat u ook zoveel poëzie in de kast hebt staan!” Want dat zie je bijna nooit. Ja, wel bij goede vrienden, die niet voor niets je goede vrienden zijn, maar bij mensen die dat niet zijn zelden, en in huurhuisjes: nooit.

En al helemaal niet zoiets grappigs en zeldzaams (niet financieel bedoeld) als The Collected Poems of Stevie Smith. Was allemaal van haar vader geweest, zei de eigenaresse. En ze vertelde dat sommige mensen er echt speciaal aardigheid in hadden, in die poëzie. Bijvoorbeeld de vrouw die een weekend geboekt had toen haar man twee jaar dood was. Die had er echt iets aan gehad, kreeg ze de indruk.

Dat hoor je wel vaker. Poëzie biedt troost.

Mag je niet zeggen van veel dichters. Gedichten zijn woorden, maaksels, dingen van taal, geen zakdoeken. Gerrit Kouwenaar dacht er zo over. Maar toch, of hij dat nu wilde of niet, bood het feit dat hij woorden had gevonden voor sommige ongrijpbare sensaties, de lezers van zijn gedichten soms troost. En dat is helemaal niet zo onbelangrijk.

Natuurlijk hoeft poëzie niet te troosten. Kunst hoeft sowieso niets. Maar als we er nooit iets aan zouden hebben, zou het ook merkwaardig zijn dat we er zoveel waarde aan hechten.

Afgelopen week was het de ‘Week van de poëzie’, en dus werd de poëzie alom verdedigd. Niet dat ze aangevallen wordt, ze wordt meestal met welwillende onverschilligheid bejegend, en misschien is dat niet zo erg. Hooguit jammer voor degenen die, als ze over een drempel heen geholpen zouden worden, van alles zouden kunnen vinden wat ze amuseert, bezighoudt of een sensatie van schoonheid biedt.

Dat de poëzie altijd maar verdedigd moet worden, betekent niet dat met het genre iets loos is. Toch ga je dat soms denken, als gedichten de mensen blijkbaar zo door de strot geduwd moeten worden en als we steeds weer moeten horen dat ze echt heus ergens over gaan en dat ze reuze verrassend zijn en vrij en enzovoort. Ook als je het met die stukken eens bent, begin je zelf aan die hele ‘poëzie’ te twijfelen.

De dichter Ingmar Heytze schreef in NRC terecht dat het eigenlijk onzin is, ‘de poëzie’ verdedigen, omdat die zo buitengemeen divers is en er ook zoveel waardeloze rommel bestaat. ‘De’ poëzie is trouwens bovendien niet weinig aan modes onderhevig. Nu ligt vaak de nadruk op de wat minder direct verstaanbare poëzie. Waar geen bezwaar tegen is, het is fijn om in iets door te dringen. Hooguit is het teleurstellend dat je vaak de indruk hebt dat critici zelf ook niet veel chocola hebben kunnen maken van wat ze lazen zodat ze zich beperken tot de mededeling dat het hier ‘goede poëzie’ betreft die bovendien heel ‘verontrustend’ dan wel ‘ontregelend’ is.

Of je leest tot je verbazing in deze krant dat een recensent rijm een belangrijk nadeel vindt in poëzie. O? ‘Über alle Gipfeln ist Ruh’ dan maar vergeten? Of is rijm alleen een bezwaar in nieuwe poëzie?

Maar dan ben je aan het ruziën met een recensent. Dat is weer wat anders dan van poëzie houden.

De beste verdediging is toch altijd gewoon niet-verdedigen, en gewoon leven met de gedichten die je (blijken te) bevallen. Volhouden lezers! Omdat een gedicht, een formulering, soms richting aan je denken en voelen geeft, lang met je mee gaat, ook als je het niet meteen doorgrondt. „Zult gij begrijpen kunnen, verstaan,/ zal voor u op kunnen gaan/ een groot aanschouwen…” (J.H. Leopold).

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.