Aan rouwen komt geen einde

Ouders van vermoorde kinderen In Een schaduw levenslang doen ouders van vermoorde kinderen hun verhaal. Omdat hun kind niet mag worden vergeten. En om „de veerkracht van de mens” te tonen.

Reinier Verbiest, de op 25-jarige leeftijd omgekomen zoon van Rien Verbiest.

In de Sint-Jozefkerk in Leusden staan 24 fotolijsten en 24 brandende waxinelichtjes op een glanzend rood laken. Ernaast „de namenschaal”, een schaal waarop ouders gekleurde briefjes met handgeschreven namen van hun vermoorde kinderen hebben geplakt. Rien Verbiest staat achter het spreekgestoelte en vertelt over de dood van zijn zoon Reinier. „Ik hoef jullie niet te vertellen hoe je je dan voelt.”

In de kerk zitten leden van de Vereniging Ouders van een Vermoord Kind (VOVK, 140 leden). De namenbriefjes, de fotolijsten, de kaarsjes: dat zijn de rituelen. Zo gaat het tijdens de meeste bijeenkomsten.

Op deze dag is er een herdenking en een boekpresentatie tegelijk. Een schaduw levenslang is verschenen: verzamelde verhalen van ouders van een vermoord kind.

Een paar dagen eerder, in lunchroom Delifrance naast station Amersfoort. „Je bent nu op het hoofdkantoor van de redactie”, zegt Rien Verbiest, gepensioneerd brandweercommandant. Tegenover hem zit Paul Kuiper, vroeger leraar op een basisschool. Kuiper en Verbiest stelden Een schaduw levenslang samen met onder meer teksten uit het verenigingstijdschrift Cocon, waarvan zij de redacteuren zijn.

Voor ieder nummer maakt Verbiest een coverillustratie. Hij haalt de laatste editie uit zijn tas: een oog waaruit een traan vloeit, omlijst met namen van kinderen.

Verbiest: „Ik teken, daar zitten heel veel gevoelens in, en Paul verwoordt dat dan in tekst.”

Kuiper: „Ik vind het een merkwaardig proces. Er schiet me dan van alles te binnen.”

Verbiest roept zijn vrouw, die verderop aan een tafeltje zit te wachten tot het interview afgelopen is. „Pas op hoor, straks gaan Paul en ik nog in ondertrouw met elkaar.”

Zo gaan de emoties op en neer tijdens het gesprek: grappen worden ogenschijnlijk soepel afgewisseld met serieuze bespiegelingen op treurige zaken.

De vaders zijn in de loop der jaren „veel meer dan bekenden” geworden, zegt Verbiest. Verbiest tegen Kuiper: „Je onderbreekt me, hè, als ik te veel praat.”

Ze hebben er ook even aan gedacht om de verhalen van álle leden van de vereniging in het boek op te nemen. „Iedereen wilde zijn eigen verhalen er natuurlijk in terugzien”, zegt Verbiest. Kuiper: „Maar 140 verhalen houdt niemand vol.”

Verbiest: „Het was een worsteling om te kiezen.”

Wat hij probeerde: „Onbevangen de diversiteit zoeken. Binnenland, buitenland, verschillende leeftijden. Maar ook: de dader binnen de familie, meerdere kinderen. Of: de dader nog altijd niet in beeld.”

Nóém hun namen

Reinier Verbiest werd 25, hij stierf in 1994. Maaike Kuiper overleed in 1997 op 24-jarige leeftijd. De vaders hebben hun verhaal al vaak verteld. Vandaag in de lunchroom weer, en ze zullen het in de kerk ook weer doen. Dat is belangrijk voor hen, en ook veel andere leden van de Vereniging zeggen het: nóém die namen. Anders zijn ze pas echt dood.

Maaike werd vermoord door een buurman die 200 gulden (91 euro) nodig had voor een reis naar Marokko. Kuiper: „Hij doodde haar om de overval te verbergen.” Reinier Verbiest ging voor een stage als fysiotherapeut naar Israël en werd het slachtoffer van een aanslag op een bus in Tel Aviv.

De aanleiding voor het boek is de fusie van de VOVK met andere organisaties voor nabestaanden van geweldsslachtoffers. Dat is voor sommige leden lastig. Nu wordt bij iedere bijeenkomst een kaars aangestoken in de namenschaal. Straks is de schaal er alleen nog bij de jaarlijkse herdenking van vermoorde kinderen in de kerk in Leusden. Zal de dynamiek veranderen als straks, behalve rouwende ouders, ook andere familieleden bij bijeenkomsten zijn? De redactie van Cocon bestaat straks ook uit andere nabestaanden.

Kuiper en Verbiest hopen dat andere ouders steun vinden in dit boek.

Verbiest: „Ik word helemaal gek, denk je in het begin. Maar als je dat van anderen leest, dan denk je…”

Kuiper: „Ik was niet gek.”

De vaders willen ook „de veerkracht van de mens” laten zien. „Achteraf krijg je duidelijk hoelang dingen hebben geduurd”, zegt Verbiest. „Ik heb me zes weken niet op deze aarde gevoeld. Ziek van ellende. Levend als een zombie.” Daarna kon hij weer enigszins deelnemen aan het dagelijks leven. „Later heb ik me gerealiseerd dat ik twee jaar emotioneel heel erg geleden heb. Het eerste jaar is heel zwaar, maar kregen we wel veel steun. Post van de joodse gemeente, het kwam van over de hele wereld.” Het tweede jaar hield de post op. „Je denkt: zijn ze me helemaal vergeten. Ik moet het toch alleen opknappen.”

Jarenlang was hij „nalatig, vergeetachtig, ik vond niets interessant”. Na zeven jaar had Verbiest weer „de power en de veerkracht” om te doen wat hij voor die tijd ook deed.

Kuiper: „O, wat waren wij moe in het begin. Rouwen kost zo veel energie.”

Verbiest: „Na iets van tweeënhalf jaar kwam er een moment, aan het einde van de dag, dat ik besefte: ik heb vandaag niet aan hem gedacht. Zó, dan voel je je hoogschuldig, hóógschuldig.”

Kuiper: „Je schaamt je wild.”

Het verdriet is alledaags geworden

Verbiest: „Nu zeg ik tegen anderen: dat is toch geweldig! Er hoeft nog steeds maar dít te gebeuren en die emoties zijn er weer. Maar het is hanteerbaar. Het verdriet is alledaags geworden. Onderdeel van.”

Kuiper: „En soms, nu ook, springen de tranen je in de ogen en daar kun je helemaal niets aan doen. Je kunt niet voorzien op welk moment het gaat gebeuren.”

Verbiest: „Ik vind het heel storend als iemand het over ‘rouwverwerking’ heeft. Afval kun je verwerken, maar aan rouwen komt geen einde.”

Rien Verbiest en Paul Kuiper werden allebei jaren na de dood van hun kinderen lid van de VOVK. „Het eerste jaar hield ik me alleen bezig met mijn eigen verhaal”, zegt Kuiper. „Mensen zeiden: ga eens een dagje naar het strand, laat je afleiden. Ik wilde niet afgeleid worden.” In de loop der jaren kwam het besef: „Je bewijst niemand een dienst met dat in jezelf gekeerde.”

Leden van de VOVK hebben het vaak over „een warme deken” als ze praten over hun vereniging. Maar soms is het ook moeilijk om met elkaar om te gaan, vertellen Kuiper en Verbiest.

Kuiper: „De eerste keer dat we naar een bijeenkomst gingen in Leusden, mijn vrouw en ik, heeft het ons geen goed gedaan. Mensen waren zo boos. Boos op de dader, boos op de politie, boos op de rechter. Met dat deel van gevoelens werden mijn vrouw en ik toen voor het eerst geconfronteerd.”

Boos op de dader, boos op de politie, boos op de rechter

De moordenaar van Kuipers dochter werd na twee weken aangehouden. Het proces verliep goed. En hoewel er toen nog geen speciale familierechercheurs waren, die tegenwoordig achterblijvers begeleiden, ging ook dat bij Kuiper goed. „Er waren twee rechercheurs die bij ons kwamen en zeiden: ‘Wat verwacht u van ons?’ Mijn vrouw en ik zeiden: ‘Dat jullie elke dag even langskomen om te vertellen wat de ontwikkelingen zijn.’ Dat was heel… wat is daar nou het goede woord voor? Plezierig? Nee, nee.”

Verbiest: „Welkom.”

Verbiest: „Vooral in de allereerste stadia van rouw loop je zo op je tandvlees dat irritatie aan de oppervlakte ligt. Dat kennen wij ook van elkaar. Hop, gelijk in de gordijnen. Mensen vliegen elkaar zo in de haren om een woord.” En hoewel een „leedcompetitie” doorgaans met veel zorg wordt vermeden, gaat het weleens mis. Verbiest: „Iemand zei tegen mij: ‘Jij hebt het makkelijk. Jouw zoon was in één keer weg.’ Jawel, de tweede keer bij de vereniging kreeg ik hem gelijk voor mijn hoofd.”

Kuiper: „Nee, toch?”

Verbiest: „Degene die het heeft gezegd weet het niet eens meer, dat zeg je dan gewoon vanuit je irritatie.”

De VOVK wil door uitgave van het boek, behalve steun bieden aan lotgenoten, ook iets veranderen in de manier waarop instanties omgaan met nabestaanden. In de loop der jaren is al heel wat verbeterd, vindt de vereniging. Zo zijn er nu die familierechercheurs, en is in de rechtszaal meer aandacht voor slachtoffers. Zij hebben spreekrecht gekregen, er is een aparte plek in de rechtbank gekomen voor nabestaanden.

Soms staat de wetgeving nabestaanden echter dramatisch in de weg, zegt Verbiest. Voor die gevallen moet er een soort ombudsman komen, vindt hij. „Er was een vrouw die haar man verloor aan moord”, vertelt Verbiest. „Hij liet een bedrijf achter met schulden. De volwassen zoon van die vrouw ging haar helpen om de zaken op orde te krijgen. Werd hij óók vermoord. Daarna werd ze achtervolgd door de Belastingdienst, maar zij kón het niet. Ze wilde een intermediair, maar dat accepteerde de Belastingdienst niet: vanwege de privacy.”

Houvast aan rituelen

Het is Kuiper en Verbiest gelukt ook de lichtheid van het leven terug te vinden. Opnieuw „uitbundig” te leven, zoals Kuiper het verwoordt. „Maar soms zie je dat mensen verbitterd blijven steken in haat.”

Dat verschilt per persoon en per geval, zien zij. Verbiest: „Het heeft te maken met veerkracht, karakter, horizon.” De slachtofferstatus kan ook houvast geven. „Als dat wegvalt, is er niets meer.”

Veel leden hebben houvast aan rituelen, constateren Kuiper en Verbiest. Ze wijden er een hoofdstuk in hun boek aan. Verbiest: „Bij de vereniging hoorde ik dat veel mensen de verjaardagen van hun kinderen altijd vieren. Dat ze mensen uitnodigen. Bij mij gebeurt er weinig aan rituelen, dat kan ik mezelf aanrekenen. Zo heb ik in mekaar gezeten. Maar met Oud en Nieuw heb ik een moment voor mezelf. Dan is de rest buiten naar het vuurwerk aan het kijken en denk ik aan Reinier. Hij belde altijd om vijf over twaalf.”

Kuiper: „Op haar geboortedag komen er de hele tijd mensen aanwaaien.” Soms lezen ze dan gedichten, die Kuiper pas na Maaikes dood voor het eerst zag. Eén gedicht kent hij uit zijn hoofd. „Ze schreef het toen ze een jaar of zestien was.”

pluk de dag
carpe diem
pluk een bloem
carpe flora
pluk een kip
carpe henna
pluk hem kaal
kale henna

Rien Verbiest en Paul Kuiper: Een schaduw levenslang. Adveniat, 228 blz. € 18,95