‘Weet je nog toen je die trui stal?’

Bij de kinderrechter

Kinderrechters slagen er niet in zaken tijdig af te handelen, waardoor het jeugdrecht niet effectief is. Een week achter de gesloten deuren van de kinderrechter in Rotterdam, de drukste van Nederland.

Illustraties Sebe Emmelot

‘Hé, zitten we hier!? Hier zitten we nooit, wie zou dat hebben bedacht?” Kinderrechter Hans Van Driel is verrast als hij zittingzaal 6 opent. Ik trof hem eerder achter een stabureau op de elfde etage van de Rechtbank Rotterdam, op de Kop van Zuid. Hij was aan het uitruimen. De schilderijtjes waren al van de muur, de dossierkast half leeg. „We krijgen flexplekken”, zei hij, op een toon die deed vermoeden dat hij dat niet zelf had verzonnen.

Zittingzaal 6 blijkt het neusje van de zalm; microfoons, speakers en grote schermen voor alle procespartijen en het publiek. Het team van die ochtend, bestaande uit een griffier, een ‘JPR’ (jeugdpolitierechter) en een officier, kreeg voor deze zaal ooit instructie maar blijkt het meeste vergeten. Niks werkt. Er volgt een toneelstukje met drie gegeneerde togadragers die alle knoppen uitproberen. Er moeten vanochtend bij één zaak beveiligingsbeelden worden getoond.

„Direct Tonen, is dat wat?” leest Van Driel van zijn scherm voor. „Als ik nu op Vrijgeven druk, zien jullie dan wat?”, vraagt de officier. Maar alle schermen blijven zwart. De ergernis neemt toe. „Rechter Weet Niet Hoe Apparatuur Werkt – die kop komt straks in de krant”, wanhoopt Van Driel met een blik op de grijnzende verslaggever. De bode wordt gebeld. Die beziet de toestand vanuit de deuropening en spreekt het verlossende woord. „Zwarte schermen, ja, dat hebben we hier wel vaker”.

Goddank, het ligt niet aan het zittingsteam van die ochtend.

Betere vrienden zoeken

Zittingen bij de kinderrechter zijn besloten om de privacy van het kind te beschermen. NRC kreeg de kans een aantal zittingen bij te wonen van de kinderrechter in Rotterdam, de drukste in Nederland. De meeste spoeduithuisplaatsingen, ondertoezichtstellingen en jeugdstrafzaken vinden hier plaats.

In de strafzaken spelen de jeugdrechters afwisselend begrijpende ouder, strenge coach of stevige bovenmeester. „Jij ben niet zo’n échte winkeldief, hè” zegt Van Driel tegen een scholier die een trui stal, als hij hem een werkstraf van 20 uur geeft. En: „Jij hebt een verstandige moeder, je moet beter naar haar luisteren, kunnen we dat afspreken?” En het jongetje moet ook „betere vrienden” zoeken, wat ook wel moeilijk is „want dat staat nooit op hun voorhoofd, hè?”

Van Driel heeft de zes dossiers voor vanochtend op papier bij zich – iedere magistraat heeft ervaring met schermen die op de zitting op zwart sloegen of bleven. Rechters zien het digitaal procederen, dat sinds 2014 in fasen wordt ingevoerd, als onvermijdelijk. Maar ze betwijfelen of het soepele uurwerk van mensen en papier dat achter iedere gerechtelijke procedure tikt, feilloos kan worden gedigitaliseerd. Iedere storing versterkt de scepsis.

Kinderen, ouders en jeugdwerkers blijken een halve ochtend op de gang vergeefs te hebben gewacht.

Het is al zo kwetsbaar – in twee strafzaken verschijnen vanochtend de advocaten niet, wat zó ongebruikelijk is dat de officier zich bezorgd afvraagt of ze wel „op de juiste manier” zijn opgeroepen. Bij een andere zitting blijken kinderen, ouders en jeugdwerkers een halve ochtend op de gang vergeefs te hebben gewacht. Hun zaken waren al dagen eerder door de officier uitgesteld, omdat het aanbod voor die ochtend te groot leek. Een boodschap die hen dus niet had bereikt.

Het uitstel van de twee strafzaken zonder advocaat is een teleurstelling, zij het één van het type uitgestelde tandartsbehandelingen. De kinderen en hun ouders hebben zich maandenlang zorgen gemaakt over de dreigende straf en de gang naar de zitting, waar zeker de ouders zich voor schamen. Bij zaal zes zaten ze lijdzaam te wachten tot de bode hun zaak kwam ‘uitroepen’ en hen binnen zou laten met de standaard aanmaning „telefoons op stil en petjes af”. In één van de twee zaken is dit al het tweede uitstel. In november verschenen de ouders en het kind niet. De eerstvolgende zitting waarvoor de griffier nog één mogelijkheid heeft is in maart. De andere zaak moet dus wachten – tot april, mei, juni? Het is niet duidelijk. Achter de tafel daalt de stemming. Maar de rechter heeft geen keus – zonder advocaat mag in het jeugdstrafrecht geen recht worden gesproken.

Hier is nog hoop

Jeugdrecht is idealiter snelrecht, zo maken de rechters me duidelijk. Hoe eerder je erbij bent, hoe groter de kans om (enige) invloed te hebben. Jeugdrecht komt neer op „iets beslissen waardoor het beter met ze gaat, zodat ze bepaalde keuzes anders zullen maken”, zegt Van Driel. Bij volwassenen staat de straf centraal en zijn er weinig illusies over de persoon – hier is nog hoop. Tegelijkertijd „kun je de wereld ook niet in een half uur voor ze veranderen” – de gemiddelde zittingstijd voor een strafzaak of ondertoezichtstelling. Voor leerplichtzaken wordt een kwartier uitgetrokken; als er niemand verschijnt, zijn ze binnen vijf minuten afgehandeld.

Ik zie per zaak behalve familie, tolken en advocaten ook een optocht van gezinsvoogden, reclasseerders, jeugdzorg, kinderbescherming en leerplichtambtenaren naar binnen gaan. De zittingen beginnen ’s ochtends stipt op tijd, maar eindigen zelden op het geplande tijdstip van half één of half vijf ’s middags. Tussendoor smokkelen de rechters automatenkoffie binnen, voor bij de mueslireep.

Tijd blijkt onder de jeugdrechters het belangrijkste thema – in het bijzonder het gebrek aan wat ‘zittingscapaciteit’ heet, oftewel: het collectieve onvermogen om zaken tijdig te kunnen afhandelen, door gebrek aan rechters (en officieren), door wachtlijsten in de zorg en overaanbod bij de kinderbescherming. Ooit is op aandrang van de Tweede Kamer binnen de rechtspraak afgesproken dat tussen incident en zitting niet meer dan een half jaar mag zitten. „Dat lukt vaker niet dan wel”, zegt rechter Saskia Hes-Bakkeren. Achter de feiten aanlopen, „daar maken we ons heel veel zorgen over”. De oorzaak? De rechtspraak heeft financieel een paar jaar ‘on hold’ gestaan’ zegt Hes. Te weinig nieuwe mensen aangenomen en opgeleid.

Ik zie in deze doorsnee januariweek zaken van meer dan twee jaar oud voorbijkomen. 2015 is een uitzondering, maar 2016 niet. Er verschijnen 18- en soms 19-jarigen voor de kinderrechter die spijbelden toen ze 15 of 16 waren. Moeders wier peuters in 2016 uit huis zijn geplaatst, die sindsdien zelf op wachtlijsten staan, voor onderzoek of behandeling.

Vooral die categorie is hartverscheurend. Hun kinderen zijn ooit bij ze weggehaald omdat ze de zorg niet aankonden. Denk aan flagrante onkunde, nalatigheid, verslaving of stoornissen. Dit zijn mensen met „zwakkere vermogens, gebrekkige vaardigheden en vaak ook met doorgegeven problematiek”, zegt gerechtsbestuurder Jasper van den Beld, die deze week als kinderrechter bijspringt.

Ik zie Van den Beld die middag een onbuigzame gescheiden vader toespreken. „U moet goed nadenken over wat u kunt bijdragen aan een stijgende lijn.” De man beklaagt zich over dat ene uurtje per maand dat hij zijn kinderen (tegen hun zin) mag zien. De laatste keer heeft hij verstek laten gaan vanwege een vakantie. „Dan gaat die vakantie maar niet door”, zegt de rechter. Tegen een jonge alleenstaande moeder met vijf onder toezicht gestelde kinderen, die „allemaal wat hebben”, zegt hij „enorm veel respect” te hebben. De ex-partner is gedetineerd, wat hem niet belet zijn kinderen regelmatig telefonisch cadeaus te beloven. Tegen een andere jonge moeder: „Blowt u nog elke dag”?

‘Doorgegeven problematiek’ is nette taal voor een eigen geschiedenis van geweld, armoe, sociale en geestelijke tekortkomingen. Dat leidt bij deze ouders bijvoorbeeld tot het riempje in de buggy niet weten vast te maken waardoor het kind eruit knikkert, met letsel tot gevolg. Het zijn vaak tienermoeders die hun eigen leven niet kunnen organiseren, laat staan dat kunnen combineren met een baby. Over wie begeleiders vroom zeggen dat „informatie toepassen” moeilijk is en dat moeder nogal „dromerig” is. Wier kinderen van oma naar tante, naar ex, naar buurvrouw werden doorgegeven omdat die collectief begrepen dat een kind bij een kind geen goed idee is.

Om een goede beslissing over het kind te kunnen nemen wil de kinderrechter objectief laten vaststellen of zo’n vrouw nu echt geen opvoedingsvaardigheden heeft. Of ze die niet alsnog kan leren en of ze dus niet een kans verdient om haar kind ooit zelf op te mogen voeden. De jeugdbescherming lijkt deze moeders tot ergernis van sommige rechters niet echt een kans te willen geven. „Ik wil kunnen leren”, zegt een geagiteerde jonge Curaçaose vrouw tijdens de zitting. Zij ziet haar kind al een jaar lang niet langer dan een uur per maand, als gevolg van een omgangsregeling. Haar is een onderzoek naar het ‘perspectief van terugplaatsing’ beloofd. Maar zal het er ooit van komen?

De kinderrechter wil behalve het kind ook de rechten van de moeder kunnen beschermen. Als zij inderdaad haar kind nooit meer zelf zal mogen opvoeden dan moet haar dat te zijner tijd wel uitgelegd kunnen worden. Elke kinderrechter zegt af en toe ‘nee’ en houdt het been stijf tegenover jeugdbeschermers. Regel het toch maar, wordt er dan gezegd; dat onderzoek, die specifieke zorg, plaatsing of opname. Misschien maakt het voor de zaak zelf niet meer uit, maar dan is er toch een punt gemaakt.

Duur Nike-vest

De meeste zittingen over ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing verlopen harmonieus – de rechter lijkt naar consensus te streven tussen alle betrokkenen. Er wordt gepeild naar „hoeveel zorgen” er nog over het gezin zijn. Wordt er al minder gebruikt, speelt geweld nog een rol, worden alle afspraken nagekomen, is vader nu uit beeld dan wel eindelijk „ingestapt” in het „hulptraject”, kunnen de kinderen de omgangsregeling aan of levert dat nog stress op.

Er is veel sprake van processen, trajecten of gevoelens die „moeten helen”. Vele instanties zijn betrokken, vaak met schilderachtige namen. Heeft het kind al de „So Cool-training” gevolgd, is deelname aan „ik kan toveren” geregeld? Maar er zijn ook zaken waarin de rechter ontevreden is en scherp ondervraagt. De jeugdbeschermers bladeren dan nerveus in hun papieren op zoek naar het antwoord.

Heeft het kind al de ‘So Cooltraining’ gevolgd?

In vrijwel ieder dossier tikt de klok door, vrijwel altijd in het nadeel van de ouders en in het voordeel van de instanties over wier verzoeken de rechter moet beslissen. Naarmate een kind langer in een pleeggezin verblijft en zich meer hecht is het onverstandiger om zo’n kind terug te plaatsen bij de biologische moeder. Duurt het allemaal te lang dan rest de rechter alleen nog het bevestigen van voldongen feiten. Daarvan balen ze, rechters willen invloed. Incidenteel zit de rechter zélf in de weg. Bij de leerplichtzitting vertelt een 16-jarige hoe goed het nu met haar gaat, ook met de examens. Behalve dan die van vanochtend waar ze niet heen kon door de oproep van de leerplichtrechter. „Kun je dat nog inhalen?” informeert de officier schaapachtig.

Bij de jeugdpolitierechter zie ik onthutste ouders die het gedrag van hun oogappel écht niet kunnen plaatsen. Een jongetje stal een duur Nike-vest uit een winkel met een tas die hij tevoren zorgvuldig met aluminiumfolie bekleedde om de poortjes te misleiden. Een ander probeerde een klasgenoot €20 voor sigaretten af te persen. Het op voicemail ingesproken „Wollah, ik neuk jouw kankermoeder, ik neuk jouw hoerenmoeder, hand op de Koran”, was het bewijs.

Dit gebeurde in december 2016 – het kind is er inmiddels al lang en breed voor van school gestuurd, gestraft door zijn ouders en bovendien sindsdien weer in de plooi. De officier eist 40 uur taakstraf, de rechter legt er 30 op. Incidenteel zou jeugdrechter Hes wel eens een vervolging ‘niet ontvankelijk’ willen verklaren wegens overschrijding van de redelijke termijn. Alleen mag dat van de Hoge Raad niet meer. Dan wordt het een ‘9 a’tje’ oftewel schuldig zonder straf.

„Je wilt een pedagogische aanpak en dat lukt niet als het over iets gaat dat soms wel twee jaar geleden is gebeurd”, zegt Hes, na een ochtend met twintig, deels verouderde leerplichtzaken. Het is een „frustratie die we allemaal delen”.

Zij behandelt die ochtend zonder pauze zo’n twintig zaken; voor sommige is vijf tot tien minuten uitgetrokken, voor andere twintig. De vaste strafeis van €250 boete voor de ouder en 40 uur taakstraf voor het kind wordt zelden opgelegd. Als het kind weer naar school gaat, de leerplichtambtenaar dat bevestigt, de ouder zich schuldbewust toont, de kinderbescherming, jeugdreclassering en officier van justitie ook optimistisch zijn, dan wordt de geëiste straf gehalveerd of een voorwaardelijke oplegging uitgesproken.

Vooral bij leerplichtzaken lijkt het proces belangrijker dan de uitkomst – de consensus is dat een stok achter de deur beter werkt dan de straf zelf. Bij de jeugdpolitierechter neemt geen enkele advocaat de moeite het bewijs te betwisten. Er wordt louter gepleit over het karakter van het kind. Heus, mevrouw de rechter, dit kind heeft een goede inborst. De hefboom in het jeugdrecht is het voordeel van de twijfel – alle advocaten sjorden eraan. Als het om overheidsvertrouwen in de jeugd gaat dan is dit de bank van lening.

Als een sfinx

Een goede kinderrechter, zo begrijp ik, kan goed luisteren en is in staat om met iedereen te praten, en wel op diens niveau. „Ik vraag nooit aan mensen of ze mij begrepen hebben, maar of ik het goed heb uitgelegd”, zegt rechter Van Driel.

Kinderrechter Monique Marseille schetst dit profiel: Hij/zij heeft inlevingsvermogen, houdt van kinderen, inclusief lastige pubers, is geen moralist maar een optimist, accepteert dat andere mensen anders leven dan hij/zijzelf, weet dat opvoeden moeilijk is en de wereld niet perfect. Hij/zij heeft bij voorkeur meer dan zes jaar ervaring als rechter in strafrecht en familierecht, en bij voorkeur ook enige levenservaring.

De kinderrechter kan niet als een sfinx de partijen hun standpunt laten toelichten om ze daarna minzaam „over twee weken vonnis” te beloven. Een kinderrechter moet een falende ouder helder kunnen uitleggen dat de ondertoezichtstelling kan uitlopen op verblijf in een gesloten jeugdinrichting als hij of zij zo doorgaat. Zónder vervolgens gewraakt te worden wegens vooringenomenheid. De kunst is om „los te komen van het dossier” zegt één van hen, en er echt te gaan staan.

Ook in het jeugdrecht zijn procedures belangrijk, maar voordat je dat een rol laat spelen „vraag ik me altijd af of het kind daar ook wat aan heeft”, zegt rechter Marseille. En dus gaan er wel eens zittingen door waar eigenlijk iets aan hapert – er is geen tolk opgeroepen en een zus ‘mag’ dan maar even voor de moeder vertalen. Intussen blijft „communicatie je belangrijkste wapen” – iedereen is het erover eens.

Hij neemt het kind mee achter de rechterstafel en laat het in een lege rechtersstoel naast hem zitten

Bij het horen van kinderen zonder ouders erbij, worden taboes van de zittingzaal geslecht. Rechters die achter hun tafel vandaan komen en het kind bij de deur verwelkomen. „Ik wil niet dat een kind in die grote lege zaal van achteren naar voren moet lopen om met die man daar, in toga, te gaan praten”, zegt Van Driel. Hij neemt het kind mee achter de rechterstafel en laat het in een lege rechtersstoel naast hem zitten. Dat is overigens in strijd met het uit 1921 daterende art. 268 lid 3 wetboek van strafvordering: „Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel der rechtbank niemand plaats.” Maar die vrijheid wordt genomen.

Rechter Van Driel let erop dat hij en het kind naast elkaar gezeten allebei half de zaal in kunnen kijken. Hij maakt het zo informeel mogelijk. Dan tracht hij te achterhalen hoe het kind zich voelt. Gaat het écht goed met je? Heb je nou een beter contact met je moeder – is de houding van je broer veranderd?

Afhankelijk van een tolk

De meeste rechters hebben cursussen gesprekstechniek gehad, net als de cursus culturele verschillen. Ik zie die week de hele Rotterdamse smeltkroes voorbij komen. Antillen, Turkije, Marokko, Polen, Suriname, Kaapverdië. Steevast goed Nederlands sprekende kinderen met ouders van wie altijd de moeder en incidenteel de vader volledig afhankelijk is van een tolk.

In het Rotterdamse jeugdteam zit maar één rechter met een Marokkaanse achtergrond. Is dat misschien niet wat weinig? ‘De’ magistratuur als geheel is erg wit, dat wordt algemeen erkend – griffie en administratie zijn juist divers. Maar in het eigen team wordt er niet zwaar aan getild. Daar ziet men een andere eenzijdigheid: jeugdrecht is een haast exclusief vrouwenterrein. In Rotterdam werken vijf mannelijke en tien vrouwelijke jeugdrechters. Ook de griffie, het openbaar ministerie, de kinderbescherming, reclassering, zorg en andere instanties in de ‘jeugdhoek’ worden door vrouwen gedomineerd. Het valt niet makkelijk te corrigeren: rechters gedwongen overplaatsen is niet gebruikelijk.

Dat Rotterdam landelijk de meeste jeugdzaken behandelt verklaart rechter Marseille uit de armoede in de stad. „Dat is meestal de onderliggende problematiek.” Mogelijk is men in Rotterdam ook „minder tolerant” en wordt er in de stad eerder geklaagd, aangegeven of gemeld. Feit is dat de burgers die hier verschijnen doorgaans lage inkomens hebben, „nergens aan mee kunnen doen, nog niet eens een fiets hebben, gedwongen zijn om vaak te verhuizen, dan weer bij een ex in moeten trekken of naar een familielid verhuizen”, zegt Marseille.

Gebrek aan capaciteiten is het gemeenschappelijke kenmerk – sociale vaardigheden, taal, opleiding. Ze worden vanachter de rechterstafel meestal met enige empathie toegesproken en vooral in eenvoudige taal. Soms is enige ergernis merkbaar, bij het eindeloze tolken bijvoorbeeld. Ik hoor één kinderrechter een orthodox geklede Marokkaanse moeder die meerdere kinderen in Nederland grootbracht vragen of ze „nooit Nederlandse les heeft gehad”? Waarna ze wordt aangemoedigd om daar nu toch maar eens aan te beginnen. Moeder lacht verlegen.

Steeds meer ‘zwijgers’

Zijn de jeugdzaken in de loop der jaren veranderd, in ernst, omvang of anderszins? Het antwoord dringt zich niet meteen op. Kinderen en gezinnen hebben altijd moeilijkheden gehad. Hooguit ziet de rechtbank de consequenties van landelijke bezuinigingen of decentralisatie terug. Als de zorg bijvoorbeeld bezuinigt op vertaalhulp dan nemen allochtone moeders hun Nederlands sprekende kinderen mee naar het ziekenhuis, als tolk. Die vervolgens bij de leerplichtrechter verantwoording mogen afleggen over hun ongeoorloofde afwezigheid. Daar proef je ook de armoede: kinderen die aan verplichte (betaalde) meerdaagse excursies niet mee konden doen en nu bestraft worden wegens ongeoorloofde afwezigheid.

Spoedzaken, ja, die zijn er wel meer dan voorheen. Moeilijke gezinssituaties worden niet snel genoeg onderkend of te lang op hun beloop gelaten, is de indruk. Of de hulp die wel wordt geboden is te licht en te laat, zegt rechter Hes. Dat bevordert de vraag naar spoeduithuisplaatsingen, waar kinderrechters ook tijdens hun weekend en avond voor gebeld kunnen worden. De maatschappelijk werkers van jeugdzorg en reclassering worden gezien als jong en vaak onervaren.

En het verloop onder hen is groot. Die week maak ik verschillende keren mee dat de jeugdbeschermer begint met de mededeling „ik heb op de gang zojuist kennis gemaakt met …”. Dan is het dossier „net overgedragen”. Binnen een half jaar drie nieuwe caseworkers voor een kind is geen uitzondering. Ook nieuw: steeds meer „zwijgers”. Kinderen die op advies van hun advocaat gebruik maken van hun zwijgrecht. Tamelijk lastig voor een vorm van rechtspraak die het van communiceren moet hebben. Het komt misschien doordat steeds meer strafadvocaten jeugdstrafrecht er als specialisme bij zijn gaan doen, denkt Hes. Daar is ‘zwijgen’ een standaardadvies.

Opkomende tranen

Als je vijf kinderrechters onbespied aan tafel zet, waar hebben ze het dan over? Werkdruk is een issue, zeggen ze. „Je moet hier hard willen werken, iedere nieuweling ervaart dat”, zegt rechter Marseille. Tegelijk is het ook een „prachtig vak”. Maar dan wel voor rechters die door kunnen pakken.

Er kunnen emoties opspelen. Eén rechter („ik heb te veel empathie”) heeft geleerd hoe ze opkomende tranen kan tegenhouden met een concentratieoefening. Een ander schorst even, als het te erg wordt. Na de zitting heb je onderling aan een half woord genoeg. Thuis praat ik er niet over, zegt de een. Een half uurtje op de fiets en ik ben het allemaal kwijt, zegt de ander.

Iedere rechter heeft „erge zaken”, waarbij het de kunst is die „nooit helemaal binnen te laten komen”. Maar toch. Die ene moordzaak zit vijf jaar na dato bij rechter Hes nog in het geheugen. Of dat verzoek tot spoeduithuisplaatsing van een terminaal jongetje van vijf, waar de ambulance al voor de deur stond, en de politieauto’s vanwege de boze menigte die dat wilde voorkomen. Rechter Van Driel die het verzoek tenslotte weigerde en het kind bij de ouders liet, kan er niet over praten zonder af en toe te slikken. En, ach, die ene vader die rechter Hes een „gouden stoel in de hemel beloofde” toen het kind weer thuis werd geplaatst, hoewel de kinderbescherming daar anders over dacht. En daarna ging dus alles goed, hè! Ze glimt.

    • Folkert Jensma