Waarom de juiste studie vinden zo lastig is

Studiekeuze Geweldige baankansen, een dik salaris of toch je hart volgen? Bij het kiezen van een opleiding kan het allemaal een rol spelen. Hoe neem je de beste beslissing?

Sjoerd Vroonland (33), meubelmaker en ontwerper, wilde aanvankelijk timmerman worden. Foto Annabel Oosteweeghel

Een begaafde zesdeklasser op het gymnasium vond eigenlijk alles leuk. Ze deed de richting Natuur en Techniek, haalde overal minstens een acht voor en kon dus oneindig veel studierichtingen kiezen. Wat te doen? Moest ze zich alvast inschrijven voor medicijnen en tandheelkunde, voor de termijn op 15 januari afliep?

Dit is een bekend scenario voor psycholoog Guido Cobelens (39), die met zijn bedrijf Pad-vinder advies geeft over de studiekeuze: „Het komt veel voor dat mensen niet weten wat ze leuk vinden”, zegt hij. Er is zó veel mogelijk. Er zijn zeker meer dan 1800 bachelor opleidingen in Nederland. Om zoveel mogelijk studenten aan te trekken, ontwikkelden faculteiten de afgelopen jaren steeds weer nieuwe opleidingen.

Maar juist het aantal mogelijkheden vergroot de ontevredenheid onder aankomend studenten. „Het blijkt dat studenten gelukkiger zijn als ze uit drie scriptie-onderwerpen kunnen kiezen dan wanneer het er honderd zijn”, zegt hij. Dat geldt ook voor het kiezen van een studie of loopbaan.

„De meeste ouders willen dat hun kind gelukkig wordt, en dat legt druk op de studiekeuze”, zegt Cobelens. Thuis en op school worden jongeren aangemoedigd „jezelf te zijn” of „je passie te volgen”. „Maar als je jong bent, weet je nog niet zo goed wie je bent. Daar heb je ervaring voor nodig.” Een bijbaantje helpt. „Veel dingen uitproberen, al is het vakken vullen. Dan zie je bijvoorbeeld hoe het is om door een manager te worden aangestuurd of je aan strakke deadlines te houden.” Cobelens vindt dat ouders te veel regelen voor hun kinderen, „zodat ze niet worden gestimuleerd om zelf na te denken”. Veel jongeren weten niet welke beroepen er zijn en wat die inhouden.

Als studiekeuzeadviseur stelt Cobelens vooral vragen. Hoe meer ervaring een scholier heeft, des te concreter de antwoorden, is zijn ervaring. Iemand die het leuk vond om zeilles te geven wil misschien docente worden. Psychologische tests peilen iemands geschiktheid en interesse. „Je hebt het analytische type of iemand die wil aansturen. Of iemand is zorgzaam maar niet heel zakelijk”, zegt hij.

Lees ook de column van Ben Tiggelaar over dit onderwerp: Studiekeuzetips van iemand die het zelf niet wist

Carrièrebewust kiezen

Moet je bij de studiekeuze rekening houden met de kansen op een baan? Volgens Didier Fouarge, hoogleraar arbeidsmarkt aan de Universiteit Maastricht, wel. „Onderzoek laat zien dat jongeren in toenemende mate carrièrebewust kiezen. Als je een studie kiest die je leuk vindt maar waar weinig vraag naar is, moet je beseffen dat je bepaalde risico’s loopt”, zegt hij. „In het ergste geval word je werkloos. Misschien moet je zelfs naar het buitenland uitwijken of kom je in een ander beroepenspectrum terecht.” Zo worden veel afgestudeerde geesteswetenschappers software-ontwikkelaar na een extra cursus ICT. Dat hadden ze vaak niet voorzien toen ze aan een studie antropologie of geschiedenis begonnen. Een andere mogelijkheid voor mensen die moeilijk aan de slag komen is het accepteren van een functie onder hun niveau. Een bezwaar is dat hoger opgeleiden lager opgeleide mbo’ers zo uit die markt verdringen. Fouarge: „Je hebt geen psychologiediploma nodig om in een winkel te werken.” Dit gebeurt ook tussen hoogopgeleiden onderling: in de financiële sector worden financieel specialisten bijvoorbeeld verdrongen door econometristen.

Televisieseries

Volgens Jeany Slijper, onderwijskundig onderzoeker aan de universiteit Leiden en beleidsadviseur bij Hogeschool InHolland, moet een beroep niet het belangrijkste motief zijn voor de studiekeuze. „Waarom zou je iemand opzadelen met opleidingen in de techniek en ICT als die daar niets mee heeft?” De titel van haar promotieonderzoek van vorig jaar onder studenten hbo-rechten, ‘En wat kan dan ik later worden?’, is een van de meest gestelde vragen bij studievoorlichting. Haar conclusie: teleurstelling en studie-uitval is vrij waarschijnlijk als het toekomstige beroep bepalend is bij de studiekeuze. „Op het moment dat een jongere kiest, is hij of zij een ander persoon dan als-ie is afgestudeerd. Een persoon ontwikkelt zich”, zegt ze. „Jongeren hebben vaak ook geen goede voorstelling van het beroep. De uitvallers waren afgegaan op televisieseries met advocaten of rechters.”

Meedoen aan oriëntatie-activiteiten in het hoger onderwijs reduceert volgens haar de kans op mislukking. „Ze moeten weten wat de studie inhoudt. Volgens alle onderzoeken is een studiekeuze gebaseerd op een verkeerd beeld van de opleiding oorzaak nummer één van de uitval. Door het grote aantal keuzemogelijkheden blijven aankomende studenten soms eindeloos doorzoeken naar ‘de perfecte studie’. Denk niet dat je een studie 100 procent leuk moet vinden, want dat bestaat niet, zegt ze. „Als 70 tot 80 procent je aanspreekt, is dat al prima.”

Ook uit onderzoek van Fouarge blijkt dat goede studievoorlichting tot betere keuzes leidt. Scholieren worden zo realistischer over wat ze aankunnen en over de loopbaanmogelijkheden. Dat laatste wordt nog wel eens verbloemd, maar de Keuzegids en Studiekeuze123.nl geven daar onafhankelijke informatie over. Uit de toegenomen populariteit van geneeskunde en technische studies blijkt dat jongeren bij het kiezen van een beroep meer op de arbeidsmarkt letten. Maar die arbeidsmarkt kan uiteraard veranderen: het tekort aan chemici kan zomaar omslaan in een overschot.

Fouarge vindt dat aankomende studenten best de tweede of derde voorkeur op hun lijst kunnen kiezen als de eerste studiekeuze slechte vooruitzichten biedt. Maar je moet het wel aankunnen. „Er zijn grote tekorten aan technici. Maar niet elk willekeurig persoon kan werktuigbouwkunde studeren”, zegt hij. Degenen die techniek gaan studeren, blijken overigens meestal wel geschikt en gemotiveerd, want de uitval is lager dan elders.

Lees ook: Kiezen wat je leuk vindt is voor mbo’ers een slechte loopbaanstrategie

Hogerop gaan loont

Welke keuze een student ook maakt: hogerop gaan loont. Letterlijk. Hoe hoger het onderwijs, des te hoger het inkomen, blijkt uit een onderzoek van het CBS uit 2012. De groep met inkomens boven 45.000 euro per jaar, wordt gedomineerd door academici. Daaronder komen de hbo’ers.

Een investering in hoger onderwijs verdient zich dus meestal terug: werkgevers stellen er prijs op, ook al sluit de opleiding lang niet altijd direct aan op het werk. Veel studies leiden niet op tot een specifiek beroep, maar de kunsthistoricus is simpel gezegd gemakkelijker om te scholen dan de elektricien. De werkgelegenheid, zo blijkt uit de studie van hoogleraar Fouarge, is het sterkst gegroeid „in beroepen met een hoog niveau van probleemoplossend vermogen en computergebruik, maar ook in beroepen waar sociale vaardigheden van belang zijn”. Vandaar de populariteit en de permanente groei van het hoger onderwijs.

Veel mensen zitten niet vast in een enkel vak. Volgens onderzoek van de organisatie van rijke landen, OECD, heeft ongeveer een derde van de werkende Nederlanders een baan waar hij of zij niet voor is opgeleid. Technici kunnen gemakkelijk buiten hun sector aan de slag: volgens het CBS heeft slechts 45 procent van de technisch opgeleiden een technisch beroep. Vaak kiezen zij voor een baan in het beter betaalde management.

Uit onderzoek blijkt dat mensen de kennis die ze aan de universiteit hebben opgedaan, al snel weer vergeten of niet kunnen toepassen. De vaardigheid van het beantwoorden van examenvragen is ook iets anders dan problemen oplossen in de praktijk, volgens Howard Gardner, psycholoog aan de universiteit van Harvard. „Studenten die hoge cijfers haalden in hun bachelor natuurkunde waren vaak niet in staat om basisproblemen en vragen op te lossen die op een net iets andere manier werden gepresenteerd dan de manier waarop ze waren onderwezen en getest”, zo wordt hij geciteerd in het pas verschenen boek The Case Against Education van de econoom Bryan Caplan.

En áls studenten problemen leren op te lossen, beperkt zich dat tot hun vakgebied. Andere vraagstukken moeten ze nog leren. Een bul fungeert dan als test: je hebt bewezen dat je tot een bepaalde opleiding in staat bent, en dus misschien een functie aankunt.

Moet je dan nog wel rekening houden met een beroep bij het kiezen van een studie? Het onderzoek van Fouarge bevestigt dat: jongeren die „toekomst georiënteerd” zijn, kiezen beroepen met beter loonperspectief. Jongeren „met een sterkere risicovoorkeur” kiezen meer conjunctuurgevoelige beroepen waarvoor de kans op een hoog loon groter is, maar de kans op een laag loon ook. Fouarge: „Leraren scoren laag op risicovoorkeur en hebben ook een loonprofiel met weinig onzekerheid. Managers scoren hoger op risicobereidheid en hun lonen vertonen meer variatie – een grotere kans op een hoger dan gemiddeld loon, maar ook grote kans op ondergemiddeld loon.” Als de beroepskeuze niet overeenstemt met de risicovoorkeur wisselen mensen vaker van beroep.

Cobelens ziet het ook zo. „Het hangt ervan af wat voor persoon je bent”, zegt hij. „Een gewetensvol en behoudend persoon vindt het prettiger om te weten waar hij aan toe is en zal een duidelijker carrièrepad willen kiezen. Die wordt accountant. Maar je hebt ook mensen die wat losser zijn.”

Je kunt rekening houden met het beroep maar je moet ook weten wie je bent. En 100 procent „leuk” bestaat niet.

‘Ik dacht: ik heb al twee jaar vergooid’

Nienke Riemersma (39), stadsmarinier ‘high impact crime’ bij de gemeente Rotterdam. Foto Annabel Oosteweeghel

In een sokkenwinkel, op een hoek van het centraal station van Rotterdam, vond Nienke Riemersma haar passie. Tijdens haar bijbaan als bedrijfsleider zag ze vanuit de winkel van alles gebeuren: een steekpartij, een overval, drugsdeals, de spoorwegpolitie ter plaatse. „Ik vond dat zo ontzettend interessant”, zegt ze. „Dáár is mijn fascinatie voor veiligheid ontstaan.”

Ze was nog zoekende op dat moment. Op het gymnasium had ze alle vakken wel leuk gevonden, maar ze blonk nergens echt in uit. Ze was geen alfa en geen bèta. Omdat ze een keer gezakt was, wilde ze naar haar examen meteen gaan studeren – anders zou ze achterlopen op haar vriendinnen. Die hadden vrijwel allemaal een tussenjaar genomen.

Het werd bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit. Lekker breed, dacht ze, en ze was geïnteresseerd in de overheid. Maar haar draai kon ze er moeilijk vinden. „Na zeven jaar gymnasium ging het leren me niet meer zo gemakkelijk af”, zegt ze. „Ik begon werken eigenlijk interessanter te vinden.”

Na een jaar stapte ze over naar algemene sociale wetenschappen. Weer onder het mom: lekker algemeen. Maar die studie beviel nóg minder. „Het ging alle kanten op, het was zo weinig concreet. Ik ontdekte dat ik bestuurskunde eigenlijk toch best leuk gevonden had.” Intussen was ze behoorlijk aan het balen. „Ik dacht: ik heb al twee jaar vergooid en dat zijn dure jaren.”

Bij de Haagse Hogeschool vond ze de studie bestuurskunde en overheidsmanagement, waarvan de laatste twee jaar voor de helft van de tijd uit werken bestond. „Dat sprak me wel aan: ik ben een doener. Ik vind werken ontzettend leuk.”

In het derde jaar van die studie vond Riemersma een werkplek bij projectbureau ‘veilig’ van de gemeente Rotterdam. Ze zette een project op voor veiligheid op scholen en heeft vanaf daar carrière gemaakt. Altijd rond het thema veiligheid, altijd binnen de gemeente: jeugd en veiligheid, voetbalveiligheid, cameratoezicht, de aanpassing van het evenementenbeleid na de strandrellen van Hoek van Holland. En als programmamaker betrok ze vluchtelingen bij de komst van het asielzoekerscentrum. Sinds een jaar is ze stadsmarinier ‘high impact crime’: en verantwoordelijk voor de aanpak van overvallen, straatroven en woninginbraken. Een intensieve baan waarvoor ze nauw samenwerkt met burgemeester Aboutaleb.

Het is de combinatie van aanpakken, het thema veiligheid en het werken voor de gemeente Rotterdam die ze zo leuk vindt, zegt Riemersma. „Ik houd echt van deze stad.” Ze had zichzelf, terugkijkend, na haar middelbareschooltijd wel wat meer rust gegund. Om na te denken over wat ze wilde en om even níet te hoeven leren. „Maar dat is achteraf praten. Door altijd hard te werken en de juiste kansen te krijgen op het juiste moment, is het helemaal goed gekomen.”

‘Het was een extreme zoektocht’

Sjoerd Vroonland (33), meubelmaker en ontwerper. Foto Annabel Oosteweeghel

Achter in de tuin van zijn ouders had de kleine Sjoerd Vroonland een werkplaats. Daar ging hij na school heen om te timmeren. „Ik was altijd met mijn handen bezig”, zegt hij. Vanwege zijn leerproblemen ging hij naar een speciale school. En daarna naar de technische leerweg van het vmbo. Hij zou timmerman worden, had hij in zijn hoofd.

Maar de docenten zeiden: jij kunt fijner werk aan, kijk eens naar meubels. En dus ging hij naar het hout- en meubileringscollege in Rotterdam, voor een tweejarige opleiding tot meubelmaker. Hij leerde er veel, over houtsoorten en handgereedschappen, over constructies en machines. Hij kon bij een meubelmakerij gaan werken, maar een docent adviseerde hem: ga door. En dus deed hij nog een vierjarige opleiding, waarin hij leerde hoe hij een eigen bedrijf moet opzetten.

Om zich in ontwerpen te bekwamen ging hij daarna naar de ArtEZ hogeschool voor de kunsten in Arnhem. „Daar heb ik me helemaal op het creatieve proces van ontwerpen gestort”, zegt hij. „Ik werkte elke dag keihard.” Dat was niet altijd leuk: het was een „extreme zoektocht” naar wat hem onderscheidde en het was nooit goed genoeg. Maar als hij weer een meubelstuk had afgemaakt, en van docenten de bevestiging kreeg dat hij door moest gaan, dan voelde hij zich gelukkig.

Vroonland studeerde af met een grote meubelcollectie die voornamelijk bestond uit stoelen. Hij legt graag de nadruk op de ambachtelijke verbindingen, zegt hij, die laten zien hoe producten in elkaar zijn gezet. „Geen plastic kapjes die constructies afdekken.”

In 2010 begon hij een bedrijf met een vriend, die hij van de meubelmakerschool kende. Ze maakten een hele meubellijn – stoelen, tafels, lampen – en presenteerden die op beurzen, onder meer in Milaan. „Dat ging hartstikke goed.” Inmiddels werken ze allebei voor zichzelf. Vroonland maakt meubels voor zijn eigen label, maar ook voor Nederlandse designlabels als Moooi en Linteloo. En hij doet projecten in opdracht.

Aan zijn toekomstdroom heeft hij nooit getwijfeld. „Ik heb er altijd veel plezier in gehad. Er zijn ook minder leuke dingen – ik moet een bedrijf runnen, de administratie doen en in het begin verdienden we maar 500 euro per maand en woonden we in onze werkplaats. Maar dat is allemaal niet belangrijk. Ik slik het omdat ik meubels mag ontwerpen.”

Als je ergens heel hard aan werkt, heeft hij gezien, dan kun je ver komen. Wel wist hij altijd dat het een heel langzaam stijgende lijn zou zijn. „Groeien gaat stapje voor stapje, dag voor dag. Dit is een project waar ik mijn hele leven mee bezig ben.”

Portretten door Mirjam Remie

    • Maarten Huygen