Opinie

    • José Rozenbroek

Moeders, trek elkaar niet omlaag

Emancipatie De Luizenmoeder katapulteert carrièrevrouw terug naar het schoolplein waar ze doorging voor een slechte moeder. De dochters van de toegewijde moeders van toen kiezen nu voor parttime werk.
Illustratie NRC

Net als ruim drie miljoen andere Nederlanders kijk ik naar De luizenmoeder. Mijn jongste is al twaalf jaar geleden afgezwaaid van de basisschool, maar deze tv-serie laat zien dat er niks is veranderd sinds de laatste keer dat ik voet zette op een schoolplein. Elk typetje is herkenbaar: de opportunistische directeur, de uitsloverige klassenmoeder, de suffe huisman, de bitch van een juf die elke ouder háát, de cynische juf wier tijd het wel zal duren. Ook de officiële regels (om half negen alle ouders de klas uit en niet meer zwaaien) en de stilzwijgende mores (gewoon blijven zwaaien) zijn nog precies hetzelfde. Voeg daarbij de humor die onbekommerd over de rand klotst en een hilarisch uitvergrote werkelijkheid en De luizenmoeder is voor elke ouder een hysterisch feest van herkenning.

Lees ook: De Luizenmoeder als politiek incorrecte verademing

Tot mijn verbazing werd daarnaast bij mij ook een ongemakkelijk gevoel blootgewoeld, een klein, veilig weggestopt traumaatje daterend uit de tijd dat ik elke morgen net op tijd of net te laat met mijn kinderen het schoolplein op holde.

Mijn dochters zaten toentertijd op een keurige witte school in Haarlem. Afgezien van die enkele huisman werden de meeste vaders hooguit ’s ochtends gespot als ze hun kinderen afzetten met de leasebak – papadag was nog niet echt in zwang. Enkele moeders werkten vier of vijf dagen, het overgrote deel van de veelal hoogopgeleide vrouwen werkte niet of had een deeltijdbaan(tje). Ze hadden zeeën van tijd om te tennissen, vernuftige traktaties in elkaar te knutselen en in hun sportkleren te roddelen over de andere moeders.

Ik werkte fulltime als hoofdredacteur van Elle en was een van de weinige (op dat moment) gescheiden ouders. En ik zat nog in het schoolbestuur ook. Reden genoeg om jaloers op me te zijn én me meewarig te bekijken én me af te keuren als moeder. Hoe vaak heb ik niet onderhuids te verstaan gekregen dat mijn kinderen zielig waren met een moeder die niet ’s middags thuis zat met een kopje thee en de vingerverf in de aanslag, en die hen niet persoonlijk op vrijdagmiddag naar een verjaarspartijtje of hockeytraining kon brengen. Ik heb meegemaakt dat ik in hoge nood een beroep deed op zo’n fulltime moeder, of mijn kind alsjeblieft met haar en haar dochter naar het sportveld mocht fietsen, en ze ijskoud zei dat ze er niet over piekerde de gratis oppas te zijn van „die vrouwen die zo nodig carrière moesten maken”.

Verbeeld jij je maar niks, met je coole baan en je vette Audi

Die moeders die al hun energie, kennis en intellect in de opvoeding van hun kinderen stopten, zeiden het niet met zoveel woorden, maar je hoorde het ze denken: verbeeld jij je maar niks, met je coole baan en je vette Audi; wíj zijn de betere moeders. En ik trok het me nog aan ook, ik vond mezelf een slechtere moeder omdat ik mijn kinderen vier van de vijf middagen toevertrouwde aan de oppas.

Natuurlijk liepen er ook leuke, solidaire vrouwen rond die min of meer in hetzelfde schuitje zaten, maar ik heb het schoolplein vooral als een intimiderende krabbenmand ervaren. O wee als je afweek van het niet-bedreigende acceptabele gemiddelde.

Mijn dochters en de dochters van die toegewijde moeders van toen zijn nu halverwege de twintig; de generatie jonge vrouwen waarover het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs een rapport publiceerde. Daaruit blijkt dat 63 procent van de vrouwen tussen de 18-25 jaar in deeltijd werkt: minder dan 35 uren per week, terwijl ze gemiddeld beter zijn opgeleid dan hun mannelijke leeftijdsgenoten van wie 30 procent een deeltijdbaan heeft. Daarmee zet deze generatie vrouwen zich van meet af aan op achterstand. In deeltijd werken verkleint de kans op interessante carrièremoves, een hoger inkomen en economische zelfstandigheid. Verbazing en bezorgdheid alom aan de talkshowtafels en in de kranten. Waarom willen deze jonge, goedopgeleide meiden niet fulltime aan de slag? Nergens anders in Europa werken jonge vrouwen zo weinig uren: ge middeld 29 per week.

Zo verwonderlijk is dat niet. Simone De Beauvoir zei het al bijna zeventig jaar geleden: moeders moeten hun dochters het goede voorbeeld geven door aan het werk te gaan. Maar in Nederland krijgen meisjes nog steeds met de paplepel ingegoten dat werk vooral ‘leuk' moet zijn. En als het niet leuk genoeg is (en dat is het vaak niet als je ergens onderaan de carrièreladder blijft bungelen), wel, dan ga je gewoon minder werken zodat je tijd overhoudt om écht leuke dingen te doen. Dat je daardoor misschien niet je eigen broek kan ophouden na een eventuele scheiding, ach, dat zien we dan wel weer. (Die moeders zouden toch beter moeten weten nu een op de drie huwelijken strandt. Na een scheiding daalt de koopkracht van vrouwen met gemiddeld 25 procent. Juist ja, vooral vanwege dat deeltijdwerk.)

Wat moeders dochters ook voorleven, al dan niet bewust: excelleren is eng, wijk niet af van de norm, wees niet ambitieus, want dan krijg je geheid heibel daaronder in de krabbenmand.

Die dodelijke animositeit tussen vrouwen legt De luizenmoeder meedogenloos bloot. Denk aan Hannah die steeds weer te horen krijgt van de andere moeders: ‘ook al ben je kinderpsycholoog, verbeeld jij je maar niks, jij weet ’t heus niet beter dan wij’. De echte mentaliteitsverandering om meisjes meer aan het werk te krijgen moet dus beginnen bij ons, de moeders. Laten wij het goede voorbeeld geven en net als mannen gáán voor die verantwoordelijke baan. Die waarschijnlijk niet te doen is op ma-di-do, maar met een beetje mazzel wel op ma-di-do-vri. Dan wordt woensdag mamadag en pakt papa de vrijdag. Of andersom. En laten moeders vooral een beetje solidair zijn. Steek zonodig een hand uit en sjor elkaar naar boven in plaats van elkaar te vertrappen op dat verstikkende schoolplein.

    • José Rozenbroek