Recensie

En iedereen kende de Radetzkymars

Michel Krielaars

Ik houd niet alleen van de hangsnor en de rotte tanden van Joseph Roth, maar ook van zijn opvliegende aard, zijn drankzucht en zijn versleten officiersbroek. Ik houd van zijn in cognac gedrenkte melancholie, van zijn empathische schrijfstijl, van zijn ironie, van zijn sentimentaliteit, van zijn mystificaties over zijn afkomst (hij had twaalf varianten over wie zijn vader was). Ik houd van de slordigheden in zijn romans, die de hartstocht verraden waarmee hij schreef en zo’n groot contrast vormen met de kille perfectie van Thomas Mann, mijn andere Duitstalige held.

Mijn liefde voor Joseph Roth (1894-1939) bloeide weer eens op toen een vriend me het door Notting Hill Publications prachtig vormgegeven boekje Wandering Jew. The Search for Joseph Roth van Dennis Marks cadeau deed. In dit biografische essay van 132 bladzijden laat deze Britse journalist zien hoe actueel het werk van Roth nog altijd is. Natuurlijk kan hij daarbij niet om Radetzkymars heen. In die meesterlijke roman over de ondergang van het Habsburgse Rijk gebeurt eigenlijk niets, behalve dan dat de adellijke hoofdpersoon van garnizoensplaats naar garnizoensplaats trekt en zich rot verveelt. Uit dat vreedzame niets komt misschien wel Roths bewondering voor de Donaumonarchie voort. Die veelvolkerenstaat, een soort Midden-Europees filiaal van de EU, was in zijn ogen het beste tegengif voor het nationalisme.

Zoiets verklaart waarom Roth zich in zijn journalistieke werk afzette tegen de nieuwe Midden-Europese natiestaten, die na 1919 voortvloeiden uit de Vrede van Versailles. Etnische minderheden – Joden voorop – kwamen volgens hem in die staten altijd in de verdrukking. Het is een lucide opmerking, die de Joegoslavië-oorlog van 1991 en de successieoorlogen in de voormalige Sovjet-Unie lijkt aan te kondigen.

Roths wanhoop nam toe door de miljoenen vluchtelingen uit Rusland, Polen en Oostenrijk-Hongarije, die Europa tussen 1918 en 1920 overstroomden. Hij beschouwde het als een ramp van ongekende omvang. En toen moest Hitler nog aan de macht komen om zijn boeken te verbranden en zijn alcoholconsumptie op te voeren. Want waar hij na 1918 ook woonde, in Wenen, Berlijn, Amsterdam of Parijs, altijd verkeerde hij in kringen van vluchtelingen, die niet weg te denken zijn uit zijn romans.

Marks merkt ook op dat Roth zich in zijn essay Joden op drift (1927) tegen het zionisme uitsprak. De schrijver, zelf een geassimileerde Jood, zag het streven naar een Joodse natiestaat als een uitwas van hetzelfde nationalisme dat het Habsburgse Rijk had vernietigd. En toen de zionisten in het Britse Mandaat Palestina zich met wapens tegen de Arabieren gingen verdedigen, walgde hij daarvan, omdat juist de over de aardbol verstrooide Joden geweld al lang geleden hadden afgezworen en ze dat zo moesten houden. Het enige Joodse thuisland was de diaspora, vond hij. Maar ja, toen hij dat schreef was Auschwitz nog een onbeduidende Poolse provincieplaats.

Net als Marks heb ik als een groupie Roths geboortestad Brody in het huidige Oekraïne bezocht. Een deprimerend oord met armoedige huizen, grauwe gezichten, de ruïne van een grote synagoge en nogal wat paard-en-wagens. Het enige mooie was het gymnasium waar Roth de Duitse literatuur leerde liefhebben. In het Habsburgs ogende schoolgebouw was een klein museum aan hem gewijd. En iedereen die ik ernaar vroeg had Radetzkymars gelezen.