Column

Een tukje in de bioscoop

Het belangrijkste nieuws van deze week: we mogen slapen in de bioscoop. Op het Internationaal Film Festival Rotterdam werd eindelijk het taboe op deze verraderlijke vorm van slapen doorbroken.

Dat gebeurde dankzij een Thaise filmmaker, luisterend naar een naam waarmee het geheugen van de gemiddelde filmbezoeker op een onmenselijke manier beproefd wordt: Apichatpong Weerasethakul. Kortheidshalve zal ik deze naam tot de laatste lettergreep beperken, waarmee ik overigens geen slechte bedoelingen heb.

Wat deed Kul? Hij schiep een slaapfilmhotel op de derde verdieping van het WTC Rotterdam, waar dertien betalende toeschouwers voor 75 euro (inclusief ontbijt) mochten slapen naast een groot filmdoek met onder meer beelden en geluiden van een ruisende zee. Dromen is niets anders dan filmen in je hoofd, zei Kul in de Volkskrant. „Ik vind het geen belediging als mensen tijdens mijn films in slaap vallen. Integendeel, mijn films geven je de ruimte om, als je na je bioscoopslaapje weer wakker wordt, het verhaal van de film te mengen met je droom.”

Is het kul wat Kul hier zegt? Ik denk het niet, hij ziet alleen iets over het slapende hoofd. Ik vermoed dat er maar weinig bezoekers zijn die in de bioscoop drómen tijdens hun slaap. Mij is het in ieder geval nooit gelukt. Ik neem aan dat je brein te veel belast is met de beelden die je net hebt gezien in de sluimer, voorafgaand aan de slaap. Je hersens commanderen juist: weg met al die beelden, nu even rust.

Ja, ik geef het maar toe, want dat mag nu: ik spreek hier ook als bescheiden ervaringsdeskundige. Af en toe, zonder het te willen, kan ik wegdommelen bij een film. Dat hoeft niets te maken te hebben met de kwaliteit van die film, ook al zijn er films die er bijna om vragen. Dat is juist het raadselachtige van deze vorm van slapen: het overkomt je onverwacht, je kunt je er niet tegen verweren.

Het kan reuze oneerlijk toegaan. Er zijn saaie, zogenaamd slaapverwekkende films waarbij je hóópt dat je in slaap zult vallen, maar toch klaarwakker blijft. En er zijn boeiende films waar je met grote verwachtingen naartoe bent gegaan, maar die desondanks opeens wegglijden in de nevel van je hoofd. Het duurt meestal niet lang, hooguit een minuut of vijf, tien, maar het kan je toch op een hinderlijke kennisachterstand zetten.

Hoe die te verbergen? Dat was vroeger, toen je er nog niet voor uit mocht komen, een lastige kwestie. Op het filmdoek was opeens een personage verschenen dat brutaal deed alsof hij daar al jarenlang rondliep. Wat moest die kerel daar, en waar had hij het over? „Wie is dat ook weer, ik was even met mijn gedachten afgedwaald”, vroeg ik dan aan mijn vrouw, die overdag alleen in slaap valt als ik te lang aan het woord ben. „Je sliep”, zei ze streng.

Wat ’n opluchting dat ik sinds deze week eerlijk mag zeggen: „Ik probeer te doen wat de filmer Kul zelfs aanraadt: het verhaal van de film te mengen met mijn droom. Het lukt nog niet, maar ik blijf het proberen.”

Lang heb ik gedacht dat het slapen tijdens films met de gestaag klimmende leeftijd te maken heeft, totdat een jonge vrouw mij verzekerde dat ze hele films al tukkend „in zich opnam”. Met haar zou ik wel in dat slaapfilmhotel van Kul willen wegdromen.