De werkelijkheid wat opfluffen

Feit en fictie

Steeds vaker verschijnen er romans waarin niets verzonnen is. Omgekeerd is in non-fictie het lekkere verhaal steeds belangrijker.

Dave Eggers schreef waargebeurd verhaal over een koffie-magnaat in San Francisco.

Soms vraag je je af: is er nog toekomst voor fictie? Zeker nu er wéér een ‘waargebeurde roman’ verschijnt. Dave Eggers, ooit romanschrijver pur sang, schreef een roman waarin hij het onverzonnen verhaal vertelt van Mokhtar Alkhanshali. In de werkelijkheid herkende hij een verhaal dat past bij wat hij graag wil vertellen. Zo zei hij in Vanity Fair: ‘Mokhtar representeert zo veel van wat ik bewonder in een mens: grenzeloos optimisme, een neiging om jezelf uit te vinden, grote dapperheid en nieuwsgierigheid, de gave van ondernemerschap, en een gevoel van humor daarover.’

Hij hoefde het, kortom, niet eens meer te verzinnen. Het hoogstens een beetje op te fluffen, te fictionaliseren. Je kunt hem dat nauwelijks kwalijk nemen – met een voorkeur voor het waargebeurde is hij lang niet de enige. Waargebeurd lijkt tegenwoordig het allerbeste excuus om een roman te schrijven: we snakken naar waargebeurde verhalen. Om als romanschrijver gelezen te worden doe je er verstandig aan een sterke persoonlijke band te hebben met wat er tussen de kaften gebeurt. Om zelf die moeilijke relatie met je vader te hebben gehad. Om zelf slachtoffer te zijn. Geen schrijver zit ooit bij DWDD om te vertellen hoe puik hij of zij dat hele boek uit zijn of haar duim zoog. Vertel eens, wat is er allemaal echt aan? Alles, kan Dave Eggers dan zeggen.

Maar de fictie dan? Het verzonnen verhaal? Wat moet fictie in een wereld geplaagd door nepnieuws, die zich bekwaamd heeft in de framing van verhalen voor het eigen gelijk? Verzonnen verhalen hebben het op het eerste gezicht zwaar. Verwerpen we niet de verhalen die niet echt blijken te zijn? Verketteren we die niet als nepnieuws of als eenzijdig?

Daarin schuilt iets hypocriets. Het populairste waargebeurde verhaal van het moment, Fire and Fury van journalist Michael Wolff, dankt zijn succes juist aan de overeenkomsten met verzonnen verhalen – het is zó smakelijk geschreven dat je je vanzelf laat meevoeren. Dit boek laat geen lacunes vallen op plekken waar informatie tekortschiet, maar vult die in. Het vergewist zich niet van de beperkte blik die één enkele waarnemer onherroepelijk op een situatie heeft (één bron is geen bron), maar neemt die ene waarneming voor waar aan. We moeten de schrijver maar vertrouwen. Scènes worden beschreven alsof hij er zelf bij was.

De lezer raakt zo de weg kwijt in het oerwoud van feiten en verzinsels. Daarbij is de fictie altijd in het voordeel: dat ene sprekende detail en die klinkende dialoog worden gemakkelijker voor waar aangenomen dan de ingewikkelde waarheid. Daarom werkt retoriek: omdat het verhaal er beter van wordt.

Dat is een trend in de non-fictie van de laatste decennia: het lekkere verhaal is steeds belangrijker. Daarom is niet de fictie in gevaar, maar eerder de non-fictie. De aantrekkelijke vorm waarin de informatie uit de werkelijkheid gegoten wordt, zou de schrijver kunnen verleiden tot dichterlijke vrijheid . Het is dan nog een kleine stap naar ‘nepnieuws’ .

De hoofdredacteur non-fictie van uitgeverij De Bezige Bij pleitte deze week in NRC voor een grote literaire prijs voor non-fictie. Dat werd tijd, schreef hij, gezien ‘de volwassenwording van non-fictie als serieus te nemen genre’. Die volwassenwording heeft voor een groot deel te maken met de literaire middelen die non-fictieschrijvers steeds vaker inzetten: personages, scènes, stilering. Middelen waarmee je je verhaal beter vertelt, maar die in de journalistiek onder druk staan. Grondige feitelijkheid is allang niet meer het enige belangrijke criterium in de huidige, door postmodernisme aangeraakte, waardering van non-fictie, het moet ook een beetje smeuïg opgeschreven zijn. Als literair genre is het dan serieuzer te nemen: non-fictie is misschien wel beter geschreven dan ooit.

‘Ik weet niet of schrijvers iets anders moeten doen behalve goed schrijven’, zei Eggers in The Guardian. Daarmee heeft hij als romanschrijver makkelijk praten. Een romanschrijver die meent dat fictie geheel vrij is, onderschat de impact van goede fictie. Denk aan (fictief!) nepnieuws, dat succes heeft omdat het zo aantrekkelijk is. Maar Eggers noemt het tenminste nog fictie. Dan is het publiek tenminste nog gewapend met een gezonde argwanende blik. Wie fictie schrijft vergewist zich er nog van dat hij niet ‘de’ waarheid, maar alleen ‘zijn’ waarheid in pacht heeft. Eggers wilde dat verhaal vertellen dat hem zo behaagt, dus hij vertelt alleen dát verhaal.

Dat zou de non-fictieschrijver misschien ook vaker moeten doen – zeker de Michael Wolffs in deze wereld, die ten prooi vallen aan de verleiding van de romantisering. Het beste argument voor die non-fictieprijs is volgens mij nog niet genoemd: het bestendigt de grens. Die kan in tijden van factchecking en nepnieuws de redding van de non-fictieschrijver zijn.