Opinie

Faculteitsbestuur Groningen: vertrokken docent Runia heeft gelijk maar….

Onderwijs Interne brief van het faculteitsbestuur Letteren in Groningen: Runia’s kritiek op de werkdruk en de bureaucratie is herkenbaar. Maar het gaat ons niet om marktwerking en financiën.

ANP XTRA Robin van Lonkhuijsen

Zaterdag 20 januari verscheen een opiniestuk van Eelco Runia in de NRC. Het faculteitsbestuur besloot niet onmiddellijk inhoudelijk te reageren op het artikel, omdat Runia zijn visie gaf op de problemen in het gehele Nederlandse hoger onderwijsstelsel en niet in het bijzonder op onze faculteit. Dat Runia daarnaast zijn betoog over het landelijk stelsel vermengde met enkele persoonlijke opmerkingen over (oud-)collega’s, maakte het voor het bestuur ook lastig te reageren.
Donderdag 25 januari organiseerde het faculteitsbestuur een informele inloopbijeenkomst om te horen wat er leeft bij onze studenten en medewerkers naar aanleiding van het artikel. De problemen die daar benoemd werden zoals het internationaliseren en Engelstalig maken van het bachelor-onderwijs (met name bij Geschiedenis), de werkdruk bij de staf en de bureaucratische last, gaan we verder bespreken in de faculteit. Een deel van de aanwezigen gaf aan ook de visie te willen horen van het bestuur op de meer algemene punten die Runia aandraagt en daarover met ons in debat te willen gaan. Hieronder volgt eerst onze visie en daarna ons perspectief voor de toekomst.


brieffaculteit

Analyse faculteitsbestuur

Het faculteitsbestuur herkent en erkent de belangrijkste problemen die Runia noemt, zoals werkdruk onder de medewerkers, de bureaucratische last als gevolg van controles, protocollen en visitaties en de verschuiving van zelfsturing naar controle. Ze staan al langer prominent op de agenda van het faculteitsbestuur en de faculteitsraad. We realiseren ons dat deze problemen een grote impact hebben op het dagelijks functioneren van medewerkers. Hoewel we de geschetste problemen dus onderschrijven, delen wij echter niet de analyse van Runia die alle problemen met elkaar verbindt door telkens de oorzaak te leggen bij marktwerking in het hoger onderwijs.

Als faculteitsbestuur maken wij nog steeds keuzes op basis van maatschappelijke en wetenschappelijke waarde, en kijken we zeker niet alleen naar het financieel belang. Natuurlijk moet uiteindelijk het huishoudboekje kloppen, net als thuis, maar die ‘marktwerking’ moet niet worden overdreven. Binnen de RUG wordt circa 30% van het budget voor faculteiten verdeeld op basis van studentenaantallen, diploma’s en promoties. Het grootste deel van het budget van faculteiten is dus onafhankelijk van geleverde prestaties en de vermeende marktwerking.

Dat we sterk letten op de maatschappelijk en wetenschappelijk waarde van opleidingen blijkt wel uit ons opleidingsaanbod. We hebben maar liefst 61 mastertracks met in totaal 626 bekostigde studenten. Daarnaast hebben we twee bacheloropleidingen met een instroom onder de 20 en nog zeven met een instroom onder de 50 studenten. Als we echt zo in de greep waren van marktwerking en neoliberalisme, zouden we onmiddellijk met de meerderheid van onze opleidingen stoppen.
Ook vinden wij het niet meer dan redelijk dat er een verband is tussen het aantal studenten en de inkomsten voor een universiteit of faculteit waarmee docenten aangesteld kunnen worden. Waarom zou een opleiding die sterk is gedaald in studentenaantallen, hetzelfde aantal docenten moeten houden? En andersom: een opleiding die in trek is bij studenten en groeit, heeft juist meer stafleden nodig.

Niet hele financieringsmodel afwijzen

In plaats van het hele financieringsmodel af te wijzen, is het goed op landelijk niveau te toetsen of de gekozen parameters nog naar behoren werken en in welke mate er ongewenste bijeffecten optreden. Want natuurlijk heeft het huidige model met de gekozen parameters ook nadelen. Iedere incentive die je kiest leidt na verloop van tijd in zekere mate tot ongewenst gedrag. Maar om alle problemen in het hoger onderwijs nu te wijten aan de vermeende marktwerking en outputfinanciering, is niet reëel. Runia geeft overigens ook geen alternatief, zelfs geen hint hoe het dan beter kan. Wat zou wel een alternatief zijn? Dat landelijk en op universiteiten budgetten worden verdeeld op basis van historie (is dat eerlijk?), op basis van kwaliteit (hoe bepaal je dat?), of maatschappelijke waarde (hoe meet je dat?)? En de vraag is wie dat dan gaat doen. Het zou leiden tot een politiek verdelingsproces met bijbehorend lobbywerk, bureaucratie, vriendjespolitiek en ander ongewenst gedrag.

Onze andere grote zorg is de overgang van zelfsturing door professionals naar een controlesysteem. Ook dit wijt Runia aan marktwerking, maar hij mist hier echter een brede maatschappelijke ontwikkeling die al decennia gaande is en waarbij de steeds mondiger wordende burger niet zomaar het oordeel van de professional accepteert. Iedereen wil objectieve cijfers, evaluaties, rankings, second opinions en wil de mogelijkheid in beroep te kunnen gaan als de uitslag niet bevalt.We accepteren geen risico’s, zodat we na grote incidenten (vuurwerkramp, cafébrand, misbruik in de kinderopvang, fraude in wetenschappelijk onderzoek etc.) collectief van de overheid strengere regels eisen en betere controles. Terecht ook, want het zijn ernstige zaken. Maar het vergroot tegelijk de regeldruk. De paradox is dat mensen in hun rol van professional afgeven op al die regels en bijbehorende administratie, om vervolgens als veeleisende burger precies hetzelfde leed bij andere beroepsgroepen laten ontstaan. Dit gebeurt zowel in de profit-, als de non-profitsector en heeft weinig te maken met marktwerking.

Enorme last

Dit alles moet niet verhullen dat we allemaal de enorme last van de visitatietrajecten ervaren. Op dit moment is daarom landelijk de discussie over het accreditatiestelsel in volle gang: hoe kan er accreditatie plaatsvinden zonder dat het systeem op argwaan gebaseerd is, maar juist op verdiend vertrouwen?
De echte oorzaak: politiek geeft te weinig geld per student Het faculteitsbestuur ziet andere oorzaken voor de toegenomen werkdruk. Belangrijkste reden is dat er steeds meer jongeren gaan studeren aan de Nederlandse universiteiten, terwijl de financiering per student steeds lager wordt Van 19.900 euro per student in 2000 daalt de rijksbijdrage per student naar 14.600 in 2018. Het is een politieke keuze hoeveel geld de samenleving wil investeren in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. We krijgen wel extra geld van de minister bij groeiende aantallen studenten (leerlingenvolume-middelen), maar niet genoeg. Faculteiten kunnen dan kiezen om extra docenten in te zetten die alleen maar onderwijs geven en geen onderzoek doen. Dat tast echter de kern van het universitair onderwijs aan. Om de koppeling tussen onderwijs en onderzoek te kunnen handhaven zochten universiteiten de afgelopen jaren noodgedwongen naar mogelijkheden om met minder tijd per student het onderwijs te geven. Dat kan door te kiezen voor andere werkvormen, voor IT-inzet, maar ook door voor hetzelfde vak minder tijd te geven aan docenten.

Extra lastig

De letterenfaculteiten in Nederland hebben het daarbij extra lastig:
• We hebben veel kleine wetenschapsgebieden en -opleidingen, die daardoor relatief duur zijn.
• Studenten bij Letteren beginnen gemiddeld genomen later aan hun studie bij ons en dan hebben zij vaak al een deel van hun voor de universiteit bekostigde jaren bij een andere faculteit opgemaakt. Studenten doen ook gemiddeld langer over hun studie. Gevolg is dat wij in vergelijking met andere faculteiten voor een veel groter deel van onze studenten niet de outputfinanciering krijgen. En voor een groot deel zonder dat wij dat zelf kunnen beïnvloeden.
• Ook de financiering van onderzoek van de letterenfaculteiten staat onder druk. De overheveling van een behoorlijk deel van het NWO-budget naar de topsectoren van de Nederlandse economie was nadelig omdat we minder vaak dan bèta’s en medici samenwerken met die sectoren in de industrie. De samenvoeging van gebiedsbesturen voor Sociale en Geesteswetenschappen bij NWO betekent statistisch een lagere kans op succes dan voorheen, aangezien de sociaal wetenschappers een lager budget bij de fusie inbrachten.
• Tot slot verandert ook de aard van ons onderzoek. Ook in de Geesteswetenschappen, denk aan taalonderzoek en Digital Humanities, is steeds meer dure apparatuur en labruimte nodig, terwijl de financiering daar niet op gericht is. Onze onderzoeksinfrastructuur is faculteitsbreed nu niet bepaald state of the art.

Perspectief en acties voor de toekomst

Dit zijn de werkelijke redenen waarom letterenfaculteiten het zonder uitzondering financieel moeilijk hebben. Maar voor we met onze analyse bij het College van Bestuur aankloppen, moeten we eerst zelf de boel goed op orde hebben. Want in alle eerlijkheid en zonder hier in details te treden, het kan zonder dat het pijn doet best wat strakker allemaal. We zijn met een enorme schoonmaakactie bezig met de financiën. We komen met nieuwe beleidsregels over bijvoorbeeld het afsluiten van projecten en het gebruik van een positief projectsaldo, voor de inzet van staf bij onderzoekssubsidies, de inzet van PhD’s in het onderwijs. Dat alles gaat geld vrijspelen voor de echte prioriteiten: het beperken van de werkdruk en bevorderingsbeleid voor UD’s die goed presteren.
We kiezen voor een nieuw transparant facultair onderwijsverdeelmodel, omdat het oude model suboptimaal werkte: het stimuleerde zoveel mogelijk formatie bij het bestuur aan te vragen, wat weer leidde tot onverwachte overschrijdingen. Het nieuwe model van clusterbudgetten vraagt clusterbesturen zelf oplossingen te zoeken binnen de financiële kaders. Dat geeft veel meer financiële stabiliteit, waardoor het faculteitsbestuur veel sneller zal durven te investeren in vaste aanstellingen, bevorderingen van UD naar UHD en in onderzoeksinfrastructuur. Daarbij hebben we vorig jaar samen met de faculteitsraad de medezeggenschap op deze keuzes goed geregeld.

Het faculteitsbestuur heeft in december 2017 verschillende plannen vastgesteld, onder andere voor een beperking van het aantal hoogleraren en van OBP (beide op basis van natuurlijk verloop). De meerjarenbegroting is inmiddels op orde en voor het eerst sinds jaren goedgekeurd door het College van Bestuur. Het financiële boekjaar 2017 sluiten we positief af, waar vooraf een tekort was verwacht. We zetten stappen in de goede richting. Maar we zijn er nog niet.

Maatregelen

De komende maanden wordt druk gerekend welke financiële ruimte er vrijgemaakt kan worden voor maatregelen om de werkdruk te verminderen. Tegelijk bekijken clusterbesturen welke oplossingen er zijn in de organisatie van het onderwijs.We gaan met een ”commissie rompslomp” kijken welke facultaire processen we kunnen versimpelen. Het faculteitsbestuur is ook van harte bereid RUG-brede rompslomp op RUG-niveau aan de kaak te stellen. We gaan begin februari met studenten en staf van Geschiedenis in gesprek over de genoemde problemen en inventariseren welke oplossingen zij zien. We spreken dan in ieder geval over de internationalisering van de bachelor. Mogelijk moeten we daar het tempo van invoering bijstellen. Het faculteitsbestuur wil wel voorkomen dat de huidige invoeringsproblemen doorslaan naar een negatieve houding ten opzichte van internationalisering als tendens in de wetenschap en specifiek naar buitenlandse staf en studenten. Het is essentieel dat iedereen zich welkom blijft voelen op onze faculteit!

Daarna zullen we ook met de andere delen van de faculteit een open discussie met medewerkers en studenten aangaan. We zullen daar de faculteitsraad nauw bij blijven betrekken, zoals we dat vanaf het begin van dit veranderingstraject hebben gedaan. Dit alles geeft een goede basis voor verdere besprekingen met het College van Bestuur over specifieke problemen van een letterenfaculteit. We willen ook reëel zijn in de verwachtingen over dit traject. Het zal lang niet alles direct kunnen oplossen. Het wordt een proces, met vallen en opstaan. En we hebben als faculteit geen grip op bijvoorbeeld landelijke beslissingen met allerlei bureaucratische gevolgen. Maar als we gezamenlijk en in samenspraak het vorig jaar ingezette vernieuwingsproces doorzetten en op basis van de recente discussie zelfs kunnen versnellen, is het bestuur positief over de toekomst van deze prachtige Faculteit der Letteren.

Het faculteitsbestuur,

prof. dr. Gerry Wakker, decaan
prof. dr. Daan Raemaekers
, vicedecaan drs.
Wouter Heinen
, portefeuillehouder Middelen